Zuiverheid; Jonathan Franzen

Er lijkt geen einde te komen aan de literaire vruchtbaarheid van Jonathan Franzen (1959). Na de National Book Award en nét na(ast) de Puliter Prize, levert de gelauwerde schrijver met Zuiverheid zijn nieuwste pennenvrucht. De schrijver, die in Nederland pas écht doorbrak met Vrijheid (2010), waarna De Correcties ook snel opnieuw in herdruk verscheen. De migrantenzoon van Zweedse komaf lijkt uit te groeien tot één van de urgente schrijvers van dit moment.

Onze tijd in woorden vervat

Het is in de Nederlandse letteren zijn serieuze romans over de maatschappelijke issues van de tijd schaars. Het milieu, culturele diversiteit, Islam of de economische malaise dringen bijna niet door. Grunberg schreef één belangrijk werk dat langs het Israelisch-Palestijnse conflict scheerde, Tommy Wieringa schreef natuurlijk zijn antwoord op Odyssee Bagdad van de (Franstalige) Belg Éric-Emmanuel Schmitt, maar toch blijven de grote thema’s van onze tijd in de literatuur ver te zoeken. De personages blijven getormenteerde artistieke- of excentriekelingen die in de verwarring van het bestaan al dan niet meevaren op de golven en hun wegen blijven abstract, ver weg van de geopolitieke en ecologische stormen die onze cultuur bespoken.

Franzen, die in De Correcties (2001)  schreef over de carrière van Alfred Lambert, die een veelbelovende loopbaan aan de universiteit in rook zag opgaan na een seksschandaal blijf destijds nog klassiek in zijn aanpak. De protagonist probeert daarover mentaal evenwicht te bereiken door zijn frustratie op te schrijven en als scenario te slijten aan een filmproducent. In het proces verwoest hij de levens van zijn drie kinderen Denise, Gary en Chip. In de kenmerkende kalme en strakgecomponeerde scenes, bijna als een kunstschaatster, schetst hij pagina achter pagina zijn overrompelende visie op de westerse ziel. Franzen was 42 toen De correcties uitkwam en met die roman verwerfde hij zich in de Angelsaksische wereld waarderingen als ‘America’s novellist’ in Time Magazine (waardoor hijzelf grappend opmerkte dat hij nu in elk geval geen cult-schrijver meer was).

Dicht op de werkelijkheid

Net als in Vrijheid (2010) duikt nu nog directer in de ziel van onze tijd. Op de Zweedse televisie noemde hij zich ‘zoals veel Zweedse migranten’ een fatalist. Franzen toonde zich een goed criticus van onze tijd. Competitie was een drijfveer van waaruit hij met een panoramische blik uitkijkt op het landschap van de verdwijnende Amerikaanse burgerij.

Dicht op de ‘journalistieke werkelijkheid’, zet Franzen zijn personages in grote en kleine veranderingen van zijn tijd. Obama, Assange, Putin zijn zichtbare figuren in de levens van zijn romanpersonages, evenals de grote en kleine irritaties van social media, Facebook, de aanval op de Twin Towers en de verkiezingen van Obama spelen een rol. Franzen megasucces moet zijn oorsprong vinden in het intense sociaal realisme, dat haast vanzelfsprekend verweven raakt met de grote thema’s van deze tijd. Daarin is lijkt hij zo helder en relevant dat zelfs Brett Easton Ellis – die enkele jaren geleden met American Psycho eveneens werd gezien als de stem van zijn tijd – zich een overtuigde volger verklaarde.

De kwaliteit van Franzen zit in de breedte van zijn aandacht. Hij schrijft over mensen die worstelen met de seksuele verleidingen van het internet; de problemen van een generatie die opgroeide met gescheiden ouders, een studieschuld en de verlammende teleurstelling van generatie die de betrekkelijkheid van succes moet verteren en dit alles op een canvas waarin de geopolitieke spanning van nu, de technologische ontwikkelingen en de thema’s rondom het ecologische bewustzijn.

anonymous-psn-hackerIn Zuiverheid verweeft Franzen de levens van Tom Aberant, Andreas Wolf, Purity Tyler (‘Pip’).  Pip is geplaagd door een studieschuld. Met een goede opleiding maar zonder uitzicht op een serieuze carrière worstelt met zichzelf en met mannen. Na wéér een uitzichtloze date beland ze op zoek naar een condoom in de keuken in gesprek met een beeldschone Duitse antiglobaliste die een of ander serieus project in de VS uitvoert. De vrouw Annagret, verpest Pips seksuele uitspatting met Jason, en brengt haar in contact met een charismatische internetrebel Andreas Wolf. Aangetrokken door de carrièremogelijkheden én de mogelijkheden die samenwerking met een hackerscollectief biedt voor het achterhalen van verwaterde familiebanden stemt ze toe. Pip belandt in een geopolitiek spel van belangen en macht. Opnieuw speelt een deel van het verhaal zich af tussen welgestelden en invloedrijke mensen. Hij raakt opnieuw aan issues als privacy, media-oorlog en de duistere geheimen van multinationale corporaties. Tussen het geweld van de wraakzuchtige spelletjes van de groten der aarde raakt Pip’s leven en geestelijke gezondheid vermalen.

De roman leest als een allegorisch schilderij. Franzen bezit het unieke talent alle kleine en grote gebeurtenissen te schilderen die onze tijd in één beeld lijken te vatten.

Onderworpen

Houellebecq’s Soumission is ZO lang van tevoren aangekondigd, dat een deel van de oorspronkelijke opwinding reeds theoretisch verwerkt leek voordat het als ‘Onderwerping’ verscheen in het Nederlands. ‘Onderworpen’, zoals de roman in vertaling heet verwijst zowel naar de letterlijke betekenis van de meest gehate religie op aarde, als naar de nabije toekomst van Europa.
Dat de discussie over Onderworpen zo ver vóór de Nederlandse publicatie al speelde lijkt de beleving te hebben beïnvloed en dat is jammer. Toch laat Houellebecq zijn lezer niet gemakkelijk bevestiging vinden, waardoor het boek aangenaam fris oogt.

Democratische strijd

Aan de vooravond van de verkiezingen in 2022 dreigt Frankrijk korte tijd onbestuurbaar te worden. Groepen Noord-Afrikanen terroriseren de straten, tegenprotesten van Franse ‘identitairen’ worden massaal bezocht. Er vallen doden. De universiteiten worden afgesloten en er circuleren pamfletten met uitgebreide voorbereidingen voor een burgeroorlog.
De opkomst van de ‘Fraternité musulmane’, de moslimbroederschap, staat aan het begin van de roman lijnrecht tegenover de ‘identitairen’; de ‘nationalistische’ tegenbeweging in Frankrijk die stemmen trekt voor het Front Nationale van Marine le Pen; het laatste bolwerk van Franse bestuurlijke hegemonie op eigen bodem. Front Nationale staat met 34,1% van de stemmen in de peilingen krap vóór de broederschap van Mohammed Ben Abbas.
François, Huysmansspecialist aan de letterenfaculteit van de Sorbonne, vlucht uit Parijs om in de provincie de uitslag van de verkiezingen af te wachten. En dan gebeurt het ondenkbare: de islamisering van het Avondland, die demografisch al decennialang traceerbaar was, vindt een politiek hoogtepunt: Frankrijk beëdigd de eerste democratisch gekozen islamistische president, de briljante politicus: Mohammed Ben Abbas.

Inzicht

Het interessante van de roman, is dat Houellebecq de tijd neemt om en detail de politieke intrige te schetsen, waarbij bekende namen als Sarkozy, Tariq Ramadan, Hollandse en zelfs Mitterrand voorbij komen. Na een overhaaste vlucht naar een landelijk pension raakt François in gesprek met een collega van de Sorbone die één van de identitairen was: ‘Ziet u, […] het Bloc Identitaire was in werkelijkheid allesbehalve een blok, het was verdeeld in tal van facties die elkaar slecht begrepen en elkaar slecht konden verdragen: katholieken, solidaristen in de lijn van de Derde Weg, royalisten, neoheidenen en hardline laïcisten met extreemlinkse wortels…’
En deze wat schimmige herkomst van een diepe pan-Europese tegenbeweging kende gevolg: ‘Maar het is allemaal veranderd toen de Europese Autochtonen werden opgericht.’ Deze laatste instantie zou een soort Europese samenwerking tussen de populistische bewegingen. En na de verkiezingen wordt het zaak voor sympathisanten van de identitaire beweging om hun lidmaatschap te vernietigen.
Maar de identitairen komen te laat. Een collega en voormalig lid van de beweging analyseert nuchter: ‘De moslimbroederschap is een bijzondere partij, weet u: veel van de gewone politieke thema’s doen er voor hen nauwelijks toe, en vooral, ze stellen de economie niet in het middelpunt van alles. Voor hen zijn demografie en onderwijs de hoofdpunten: de bevolkingsgroep die de beste vruchtbaarheidscijfers heeft en die zijn waarden weet door te geven trekt aan het langste eind. Zo simpel is het in hun ogen, economie, en zelfs geopolitiek zijn maar bijzaak: wie kinderen heeft, heeft de toekomst, punt uit’.

Een compromis met Islam

De nieuwe president zorgt voor een aardverschuiving in de Franse cultuur. Vrouwelijke en katholieke hoogleraren worden uit hun functies ontheven, conversie naar Islam wordt verplicht in educatieve functies. Er volgt een massale exodus van vrouwen van de arbeidsmarkt, waardoor de werkeloosheidscijfers enorm teruglopen en polygamie wordt gelegaliseerd.

Toch schetst Houellebecq, die historische parallellen aanhaalt, het beeld van gelatenheid in de intellectuele elite. In een gesprek over de politieke ontwikkelingen zegt collega Tanneur: ‘Iedereen weet dat Karel Martel in 732 bij Poitiers de Moren heeft verslagen, waarmee hij de islamitische expansie naar het noorden een half toeriep. Het was indrdaad een beslissende slag, die het ware begin van de Christelijke middeleeuwen inluidt […]’ Maar die Christelijke hegemonie van Europa is definitief ten einde: ‘Het klopt dat er enorm veel veldslagen zijn geweest tussen het christendom en de islam, vechten is van oudsher een van de voornaamste mensenlijke activiteiten, oorlog is natuurlijk, zoals Napoleon zei. Maar ik geloof dat nu het moment is gekomen voor een compromis, een alliantie met de islam.’

In Houellebecq’s intellectueel meest bedwelmende pagina’s lijdt de stijl soms onder de Nietzschiaanse culturele vergezichten. Nietzsche’s diagnose van de zieke oude cultuur van het Avondland trilt door in Houellebecqs analyse, maar zonder woede. François krijgt een riant pensioen en heeft geen plan om de rest van zijn leven door te komen, totdat hij een aanbieding krijgt voor een onderzoeksopdracht in zijn specialiteit, van een geconverteerde collega Rediger. De apotheose van de roman is een gesprek tussen François en Rediger, die François probeert te overtuigen van de onvermijdelijkheid van de Islamitische dominantie over Europa. Hij vertelt over zijn eigen conversie:

‘Het Europa dat het hoogtepunt van de menselijke beving was heeft inderdaad zelfmoord gepleegd, binnen het bestek van een paar decennia’, vervolgde Rediger bedroeft; ‘in heel Europa had je de anarchistische en nihilistische bewegingen, de oproep tot geweld, de ontkenning van elke morele wet. En toen, een paar jaar later, eindigde het allemaal met de niet goed te praten dwaasheid van de Eerste Wereldoorlog. Freud heeft zich niet vergist, Thomas Mann ook niet: als Frankrijk en Duitsland, de twee meest geavanceerde, meest beschaafde natie van de wereld, zich konden overgeven aan die redeloze slachtpartij, dan kon dat alleen maar betekenen dat Europa dood was. […] De volgende dag ben ik naar een imam in Zaventem gegaan. En de dag daarna – paasmaandag – heb ik in aanwezigheid van een tiental getuigen de rituele formule uitgesproken om me te bekeren tot de islam.’

François zal hetzelfde moeten doen. Hij zal beloond worden met een riant salaris. Hij zal via het huwelijk toegang hebben tot piepjonge meisjes en promotie maken aan de Sorbonne. Al wat hij hoeft te doen is meegaan naar een ceremonie waar hij de heilige woorden moet uitspreken: ‘ʾasjhadoe ʾan lā ʾilāha ʾillā-llāh, wa asjhadoe anna moeḥammadan rasōēloe-llāh.
‘Ik zou nergens spijt van hoeven te hebben.’

De Neoliberale hemel: Bonita Avenue

Iedere poging een boek te receneren, is de ervaring van lezen geweld aan doen. De duiding nadert nooit de ervaring. Een kleine aardbeving in de Nederlandse literatuur recenseren terwijl die gaande is, is misschien niet mogelijk.

Peter Buwalda’s veelgeprezen roman Bonita Avenue is zo’n aardbeving. Wat Buwalda heeft gedaan komt zelden voor in het Nederlandse taalgebied, en verdient daarom de lof die het krijgt toegezwaaid. Toch is de roman nu al gedateerd en dat is misschien een gemiste kans.

Ontwikkelingsroman

Bonita Avenue, verwijst naar een straat in Hollywood. Anders dan veel Nederlandse romans waarin de hoofdpersoon niet verder komt dan Amsterdam, wat reflecteert op diens seksuele en psychologische besognes en binnen een tijdspanne van een half jaar tot de conclusie komt, dat alles vergeefs was, volgen we een complexe driehoeksverhouding tussen drie hoofdpersonen, in verschillende landen en over een periode van jaren. Het project van een dergelijke ontwikkelingsroman wordt in het Nederlandse taalgebied zelden ondernomen. Buwalda deed het en zijn debuut is een assamblage van vlot geschreven scene’s die langzaam een familietragedie onthullen.

Pers

Bonita Avenue heeft terecht véél aandacht gekregen in de pers. Het werd lovend besproken in alle literaire kringen, In De wereld draait door betuigden verschillende bekende Nederlanders zich jubelend Buwaldianen. Er was zelfs een hoogleraar globalisering die het nodig vond in de Volkskrant uit te leggen dat de fraude van Siem Sigerius met onderzoeksgeld pleegt helemaal niet mogelijk is. (‘de bestedingsmogelijkheden van de Spinozapremie zijn ruim, maar het geld moet wel altijd uitgegeven worden aan de ‘bevordering van onderzoek’.) Dergelijke reacties van lof én kritiek uit zo brede lagen van de bevolking is zeldzaam, en het valt dan ook te hopen dat Peter Buwalda nog velen pennenvruchten zal afleveren.

Stijl

Een recensie van een roman, is een recensie van een kunstwerk, en moet primair beoordeeld worden op esthetische criteria. Ondanks de evidente kwaliteit van Buwalda – met name de passages waarin de vriend van Joni Sigerius een psychose heeft zijn weergaloos goed opgetekend – lijkt de collage van flash-backs en flash forwards niet altijd even doordacht. Zo kondigt zich al vroeg in het boek aan dat Siem Jongerius het verhaal niet levend zal verlaten, maar het is niet duidelijk waar dit voor nodig is, want het speelt pas op de laatste bladzijden een rol, als de dochter (bijna terloops) het lijk van haar vader ontdekt.

Ook de achtergrond van de vuurwerkramp in Enschede, komt niet uit de verf. Het gebruik van politieke gebeurtenissen (zoals we kennen van Jonathan Franzen’s Vrijheid of Haruki Murakami’s Underground) komt in de Nederlandse literatuur in de afgelopen decennia nauwelijks voor en is daarom alleen al opwindend. Echter, de impact van deze ramp is zo terloops (het is het excuus om een feestje te verlaten, en wat gebel naar bekenden), dat het in feite in zijn geheel achterwege gelaten had kunnen worden.

KKM_peter buwalda

Het universum van Buwalda is niet bevolkt door maatschappelijk betrokken mensen. Wonderkind Siem Jongerius is niets dan een bevattelijke (en gevatte) geest, die naast wiskundige ook een groot judoka was met liefde voor de jazz. Maar als rector magnificus niet bepaald gewetensvol. De interesse in zijn persoon vanuit de politiek is hooguit te verklaren vanuit de mediamieke flair die Buwalda hem toedicht, en de gedachten van de intellectueel gaan bijna uitsluitend uit naar diens reputatie.

Maatschappelijke komedie zonder drijfveren

Ook de niet minder getalenteerde dochter, Joni Jongerius is volmaakt opportunistisch. Haar relatie met de psychologisch instabiele amateurfotograaf Aaron is onbegrijpelijk. Haar carriere als pornomodel via een amateursite schetst perfect de opwinding rondom de dot.com-bubble. Ook hier lijken de motieven van Joni volmaakt opportunistisch. Het levert geld op, veel geld. Buwalda schetst het gezin Jongerius als een stel opportunisten die volstrekt langs elkaar heen leven, en zelfs hun eigen drijfveren niet schijnen te willen begrijpen. Siem spreekt vanaf het moment dat hij gepeild wordt als minister van onderwijs niet meer met zijn vrouw, die zich lijkt terug te trekken in een leven van lichte conversatie met vriendinnen en vader en dochter praten nooit over haar porno-carrière.

Buwalda schetst aldus een universum waarin mensen als losse atomen vrijelijk botsen, elkaar beoordelend op retorische begaafdheid en op winstmogelijkheden. Men negeert eenvoudig wie niet voldoet aan de criteria. Naast reputatie en winst, valt er geen enkele interesse tussen mensen te ontwaren. Niemand heeft compassie met iemand. Als Aaron aan lagerwal raakt is dat reden tot afstand, Siem Jongerius schrikt er niet voor terug zijn eigen zoon de arm te breken en achter te laten in de sneeuw, en Joni, die weliswaar haar verwaarloosde halfbroer in de gevangenis ontmoet toont geen enkele compassie met diens lot en lijkt vooral bezig hem te willen uitleggen dat haar even ook niet gemakkelijk is.

Een neoliberale hemel

Aldus is iedereen op zoek naar ‘opportunities’, en leeft in de neoliberale hemel die doet denken aan de jaren 90. Er is geen crisis in de politieke en financiële elite, geen versobering van de verzorgingsstaat. Er is geen oorlog in Irak en China ligt nog diep in slaap. Er zijn eeuwig stijgende huizenprijzen en volstrekt a-morele business opportunities voor wie ze wil zien. Die hemel, brak in 2008 boven onze hoofden in duizend stukken en de meesten van ons zullen haar nooit meer terugzien.

En daarom is Buwalda’s boek zowel geweldig als vatbaar voor kritiek. Iedere kunstenaar is een kind van zijn tijd. Maar de wereld van Bonita Avenue (2010) is nu al geschiedenis en dat is jammer. Een groot schrijver kan zijn tijd op ongedachte wijze een spiegel kan voorhouden, zoals Bret Easton Ellis American Psycho in 1991 de toon pakte voor de onwereldse gekte van Wallstreet. In Bonita Avenue zijn de personages eveneens zo afgestompt dat niets hen echt raakt. Zelfs het vinden van het lijk van haar vader ontlokt de dochter niet veel meer gedachten dan de zin: ‘Niet huilen, godverdomme. Niet.’ (511)

Ondanks de soms arbitraire compositie van de collage van de roman, verrast Buwalda bijna op iedere pagina met taalvondsten, vlotte dialogen en prachtige beelden. Het is een roman die Amerikaans is in ambitie, maar ook in vorm en stilistische afwerking. Alles is vluchtig, scherp en slim.

Buwalda is een bijzondere schrijver in de Nederlandse literatuur en een regelrechte aanwinst. Men hoopt hem (en niet anderen) vaak te zullen horen in de media over literatuur, maar ziet eveneens reikhalzend uit naar een volgende roman.

Arabisch lentezonnetje helder; de herfst waterig?

Dé revolutie is nog zo vers dat goede theorie over het onderwerp schaars zijn. Journalisten in de regio buitelen over elkaar heen om hun impressies naar de uitgever te sturen. Een van de meest spannende verslagen is van de hand van de Vlaamse journalist Jorn de Cock.

Arabische lente, een reis tussen revolutie en fatwa, beschrijft vooral de knotsgekke reis van de Cock zelf. Vanuit zijn standplaats Damascus, waar hij woont met zijn vrouw Reem en jonge dochtertje, bereisde hij de Arabische wereld. Van Jemen, tot Libië en van Tunesië tot Egypte. Hij ontmoet de inmiddels beroemde bloggers, hij spreekt via Skype met migranten die vanuit Amerika, Canada en Europa met vierkante ogen alles wat er gebeurd op het beeldscherm volgen.

Met een zekere spijt stelt de Cock vast dat hij te laat was om de revolutie in Egypte mee te maken, en daarom reisde hij met grote haast naar Libië om de het rebellenleger aldaar te volgen. Hij komt goed op stoom als hij tussen de Gradraketten, de achtergelaten mobieltje met filmpjes van de Khadaffitroepen, vreugdeschoten, met in T-shirts gehulde rebellen zijn weg baant door de Libische woestijnen. Overal ontmoet de Cock vriendelijke mensen, die evenwel verwoede strijders zijn voor hun vrijheid. Dat leidt soms tot verwarrende situaties. De Cock kijkt in de ogen van tientallen lijken om vijf minuten later lachende kindergezichten te zien die op straat rondrijden in de golfkarretjes van Kadaffi.  Hij ontmoet Libische Nederlanders die in plat Amsterdams vertellen dat ze wachten op NAVO bombardementen, hij komt zelfs in de villa van Khadaffi’s dochter Aisha (de Claudia Schiffer van Noord-Afrika) waar hij in een in de haast achtergelaten reiskoffer haar condooms vindt.

De best geïnformeerde hoofdstukken van de Cock, gaan echter over Syrië, waar hij de situatie het beste kent. Syrië slaat de opstand vooralsnog keihard neer. De Cock – die zo dicht bij het vuur zit – had een opstand in Syrië ook niet verwacht. Interessant zijn zijn gesprekken met voormalige leden van de moslimbroederschap in Egypte. De broederschap is doorgaans een gesloten bolwerk. Maar na de revolutie implodeerde zij enigszins. Velen maakte carrière in de broederschap maar onderschrijven de dogmatiek toch niet geheel in lijn met de partij. De afvalligen geven inzicht in de complexe partijstructuur en zetten de Cock aan tot vragen over de toekomst van deze partij. Somber wordt het wanneer hij schrijft dat er sinds de revolutie – nu alweer bijna een jaar geleden – nog slechts één politieagent is veroordeeld. Daarentegen zijn honderden opgepakte jongeren nog altijd in de gevangenis. Ook lijkt de eenheid tijdens de protesten alweer bijna tenietgedaan.

Toch breekt de Cock in de epiloog een lans voor de democratisering in de Arabische wereld. Hij wijst erop dat de culturele verwevenheid tussen het westen en het Midden-Oosten groot zijn. Dat de eerste oproep tot een globale jihad kwam niet uit Afghanistan, maar uit de Wilhelmstraße in Berlijn. Het Duitse keizerrijk probeerde zijn macht uit te breiden in het Midden-Oosten door de moslimbevolking op te zetten tegen Britse overheersing met een fatwa vol (op zich) relevante Koranpassages. Maar het had nauwelijks effect. De overwegingen van de moslimbevolking waren politiek. En dat zijn ze – aldus de Cock – nog steeds. De religie is belangrijk voor deze mensen, maar uiteindelijk is de juiste analyse voor de regio – net als elders – een politieke. En de overwegingen die mensen in hun leven maken zijn slechts zelden religieus gemotiveerd, meestal economisch… Niemand kan voorspellen waar ‘het heengaat’, maar de ontwikkeling im großen ganzen is bemoedigend. De Cock moedigt ons aan om  culturele vooroordelen hier te lande achter ons te laten en te kijken naar de concrete situatie en geduld en hoop te koesteren: ‘Het zijn gruwelijks, spannend, verwarrende tijden in het Midden-Oosten. Maar geen enkel gevoel is sterker dan hoop.’

Van Nasser tot Mubarak… en terug?

Achttien dagen duurde het. Op ‘de dag van de woede’, 25 januari 2011 trokken losjes georganiseerde groepen jongeren aangevoerd door de ‘6 april beweging’ en de ‘Wij zijn allen Khaled Saïd-groep’, naar Tahrir Square. De wereld hield keek ademloos mee via Al-Jazeera, youtube, blogsites en zag dat Mubarek viel. Wat nu?

De Egyptische econoom Tarek Osman (1975) schreef met Egypte, een geschiedenis van Nasser tot Mubarak een verhelderend narratief. Met vaardige hand legt hij het politieke krachtenveld bloot achter de recente gebeurtenissen. De salafisten, islamisten en de broederschap aan de ene kant, de liberale islamieten, de christelijke Kopten, de jonge cosmopolieten zijn de uitkomst van een bewogen en complexe geschiedenis van Nasser tot Mubarak.

Nasser

Gamal Abdel Nasser (1917 – 1970) wordt in de Arabische wereld gezien als een van de grootste Arabische leiders in de geschiedenis. Op 23 juli 1952 kwam hij na een geweldloze staatsgreep aan de macht, waarbij hij de ‘playboy-koning’ Faroek afzette en de republiek uitriep. Daarmee kwam een einde aan het ‘Parijs aan de Nijl’, het op Europa gerichte Egypte en begon het seculiere Arabisch nationalisme. Nasser bracht Egypte zelfstandigheid en voerde een seculier beleid. Hij omarmde de Islam als beschavingskader, maar hield het buiten de politiek. Daarmee nam hij de Egyptische christenen voor zich in. Een ‘briljante balanceeract’, aldus Osman. De dood van sjeik Hassan al-Banna bood Nasser een buitenkans om de moslimbroederschap af te schaffen, en belangrijke leden te verbannen of op te sluiten. Het Arabisch nationalisme richtte zich op de Arabische identiteit en niet de religieuze identiteit.

Nasser kende grote triomfen, zoals de landhervorming die duizenden boeren een betere toekomst gaf. Zijn hoogtepunt was de alliantie met Syrië. Nasser was het gezicht van Arabische hoop en trots in het post-koloniale Midden-Oosten. De glorie van het Arabisch nationalisme kwam hard ten einde in de zesdaagse oorlog in 1967. Drie kwart van het Egyptische leger werd in een week vernietigd door Israel. Deze vernedering maakte een eind aan de hoop van miljoenen Arabieren.

Sadat

Na Nassers dood in 1970 was het Arabisch nationalisme al dood. Anwar Sadat (1918 – 1981) trad aan en voerde een islamistische koers. Eind jaren 70 kende een opleving van religieuziteit waar Sadat schijnbaar op inspeelde. Echter hij brak met de Sovjet-Unie om van Egypte een trouwe bondgenoot van de VS te maken en voerde Egypte weg van een centraal geleide economie naar een vrijemarktkapitalisme. De Camp-David akkoorden tussen Egypte en Israel in 1978 werden geacht ‘een tijdperk van vrede in te luiden, maar werden door miljoenen juist gezien als ‘verraad aan de miljoenen die in de Sinaï gestorven waren’ en de belichaming van een ‘nationale vernedering en schande’, schrijft Osman.

Op 6 oktober 1981 bleek het complexe spel van Sadat failliet. Hij werd op een militaire parade vermoord door leden van de Egyptische Islamitische Jihad. Zo wreekte de vernedering van de Zesdaagse Oorlog zich dus op Sadat en de stabiliteit in de regio.

Mubarak

Hosni Murabak (1928) die naast Sadat zat bij de aanslag, kwam aan de macht. De eerste jaren kende hij een zeker succes. De beschrijving van Osman, doet denken aan het optreden van iemand als Gordon Brown. Een pragmatische manager zonder charisma met weinig gevoel voor ceremonie en nauwelijks retorische begaafdheid. Osman beschrijft hoe Mubarak Egypte in het globalistische kapitalisme onderbracht. Mubarak bracht hervormingen die toch ‘nooit in de buurt kwamen van de ‘structurele hervormingen’ waarop het Internationale Monetaire Fonds (IMF) herhaaldelijk had aangedrongen.’ (190) De plannen zouden echter ongekend hard uitpakken voor de levensstandaard van de lagere inkomensgroepen. Leningen waren de enige oplossing.‘Het Egyptische regime had dringend behoefte aan financiële hulp op de korte termijn en was in 1991 gedwongen de voorschriften van de IMF te aanvaarden.’ Het resultaat was hetzelfde als in alle kapitalistische landen: ‘snijden in de sociale voorzieningen, pensioenen en essentiële subsidies’, een steeds sneller groeiende kloof tussen straatarm en schatrijk, een versmelting van macht en rijkdom, en golven van privatisering van staatsbedrijven die de onderklasse afsloot van cruciale diensten zoals elementaire gezondheidszorg en educatie.

Schokkende armoede dwong miljoenen in uitzichtloze situaties, zelfs hun organen te verkopen om in leven te blijven. ‘de armen zijn de organen van de rijken’, schrijft Osman. De econoom somt de cijfers op: 40% van de rijkdom van het land was in handen van 5% van de bevolking, 45% van het totale vermogen in de markt was in handen van minder dan 20 families. Net als in Chili, Rusland, Argentinië, en sinds 10 jaar ook de westerse landen, was repressie en dwang de enige manier om opstanden te onderdrukken. De Egyptische staatsmedia zongen lof van ‘het einde van de geschiedenis’ en loyaliteit aan het Anglo-Saksische Kapitalisme.

Geen wonder dat de moslimbroederschap enorm aan macht kon winnen in de steeds meer lagen van de bevolking die door Mubarak aan hun lot overgelaten werden. En Mubarak zelf overkwam hetzelfde als westerse leiders in de afgelopen twee decennia overkwam ‘van de man Egypte regeerde, werd hij de hoogste gezagdrager in een nieuwe machtstructuur die werd gedomineerd door enkele van Egyptes machtigste financiële instellingen.’

Toen op 29 januari dit jaar het moment aanbrak dat de overleving van Mubarak’s presidentschap afhing van de militaire bereidheid het vuur te openen op meer dan een miljoen mensen, weigerde het leger dat resoluut.

En verder…

Zo schetst Osman, de geschiedenis die leidde tot de revolutionaire gebeurtenissen van 2011. Opvallend is dat hij blind is voor de parallel met de jongerenopstand in Portugal, Griekenland en Spanje, en de occupy-beweging die momenteel in 1500 steden over de hele wereld protesteert tegen de banken. Hoewel het hoofdstuk over Mubarak de voormalige dictator beschrijft als een keiharde kapitalist ziet Osman geen moment de bredere betekenis van de gebeurtenissen in zijn land.

Sterker, in de laatste hoofdstukken is Osman het spoor volledig kwijt. Zijn conclusie is een staaltje analytische verwarring die we dagelijks in de gevestigde media kunnen  zien. Hoewel hij in hoofdstuk 7, de wanhoop van de jongeren goed vervat (hij ziet zelfs de generatiekloof die ook hier te lande langzaam door analytici wordt waargenomen) lijkt hij geen moment het revolutionaire elan aan te voelen. De in Engeland werkende econoom blijft zelf een brave gelovige van de meest ontwrichtende ideologie sinds fascisme en communisme. Doodleuk wijst hij als doorslaggevende factor achter de revolutie de ‘economische zelfstandigheid’ van jongeren aan. Pardon? Schreef hij net niet dat sommigen hun organen verkopen om te overleven? Wie zijn die zelfstandigen dan, als dat niet de kinderen van Mubaraks kapitalistenklasse zijn?

‘Voor de toekomst van Egypt is het nu een van de belangrijkste vragen hoe de private sector en de vertegenwoordigers daarvan hun economische macht zullen omzetten in politieke macht’, schrijft Osman, alsof het mogelijk is om een bedrijf binnen te lopen en daar aan de balie te vertellen dat je – en miljoenen met jou – werkeloos bent. Dat een alleszins ontwikkelt mens, niet lijkt te beseffen dat alleen de publieke zaak, een politieke zaak is, verbaasd. Private bedrijven hebben geen politieke verantwoordelijkheid (anders zouden ze niet privaat zijn) en verdedigen zich ook altijd met dat argument.

Als voorbeeld van ‘hoop’ noemt Osman ‘een dertigtal jonge Egyptenaren die uit New York en Londen naar hun land zijn teruggekeerd’ en ‘nieuwe investeringsfondsen lanceerden die zich uitsluitend richten op de achtergebleven gebieden in al-Saeed’. Denkt Osman echt dat deze jonge in de financiële wereldhoofdsteden New York en London opgeleide kapitalisten het falen van het kapitalisme gaan repareren? Met hetzelfde gemak spreekt hij over de economisch onafhankelijke middenklasse (p250), terwijl hij een bladzijde eerder nog schreef dat ‘50% van hen [jongeren] nog steeds geen toegang heeft tot moderne scholen en ziekenhuizen, laat staan een pc.’

Osman, die schrijft voor verscheidene neoliberale kranten als The Financial Times, The Independant, The Guardian slaat in zijn conclusie de plank volledig mis. Met behulp van en zelfverzonnen onderscheid tussen ‘kapitalisme’ en ‘een verwrongen vorm van kapitalisme’ probeert hij een ruimte te creëren voor een kapitalistisch alternatief. Maar de argumenten bijten zichzelf keer op keer in de staart. Hoewel de ‘financiële onafhankelijke middenklasse’, die een hoofdstuk eerder nog niet bestond het helemaal gaat maken, zullen ‘de sectoren die hooggekwalificeerde vaardigheden vereisen klein blijven, met een sterk geconcentreerd eigenaarschap en slechts beperkte overloopeffecten.’ Op de ene pagina (244) is de jeugd niet maatschappelijk betrokken, en op de andere pagina in opkomst. Op de ene pagina zijn zij verwesterd terwijl op de andere ‘de islamisten steeds meer weerklank vinden in brede lagen van de bevolking’ (262). Enerzijds is Egypte volkomen maatschappelijk ontwricht en vatbaar voor salafisten en islamisten door jarenlang kapitalisme en anderzijds haalt de econoom doodleuk Adam Smith’s onzichtbare hand aan: ‘Adam Smith’s onzichtbare hand trok in het eerste decennium van de eenentwintigste eeuw aan de touwtjes en stimuleerde creativiteit, vernunft en vindingrijkheid.’

Hier zit dus een ideologische blinde vlek bij de sterjournalist. Osman deed een poging maar bewijst in de laatste hoofdstukken conceptueel niet in staat om te begrijpen wat er wereldwijd gaande is. Geschiedenis wordt op dit moment geschreven en het is aan iedereen die wil om haar te doorgronden.

Tahrir Square, Everywhere!

Als was Egypte een kippenboerderij

Egypte is een verschrikkelijke dictatuur. Maar, het is wel het land van Alaa al Aswani, en hij is oud genoeg om zich de gloriedagen van het Arabisch Nationalisme van Gamal Abdel Nasser te herinneren die zich teweer stelde tegen het opportunistische beleid van de Verenigde Staten, het Suez kanaal opnieuw in Egyptische handen bracht en een seculier beleid voerde. Egyptische vrouwen lagen in Bikini op het strand en de was religie tolerant.

In zeer heldere, bijna banaal-redelijke columns onderzoekt de Egyptische tandarts Aswani, zijn tijd. Daarbij is hij vóór vrouwenrechten en tégen de gezichtsbedekkende kleding voor vrouwen (een voortvloeisel van een ”achterlijke Wahabitische islamopvatting uit het steenrijke Saoedi-Arabië’), vóór Islam, maar tegen Islamisten, vóór de vruchten van de westerse beschaving maar tegen westers buitenlands beleid in de Arabische regio. Hij leest als een lange opluchting. Nergens neemt hij een blad voor de mond (behalve misschien als hij Hosni Moebarak doorlopend een goede gezondheid toewenst), en steeds is de laatste zin van zijn columns: democratie is het antwoord.

Al Sawani’s stijl doet denken aan Theodore Dalrymple, beheerst en beschaafd, maar zijn conclusies zijn diametraal tegenovergesteld. Waar Dalrymple altijd ‘het volk’ aanwijst, daar ziet Al Sawani steeds de regeringen van die volkeren als schuldige. Daarom verdedigd hij de westerse cultuur, maar beschimpt hij de dubbele moraal van westerse politici. Iedereen die het verdiend krijgt ervan langs. Moebarrak die zijn land wilde overerven aan zijn zoon ‘als was Egypte een kippenboerderij’, Iran met haar ‘ten hemel schreiende’ mensenrechtenschendingen, de Saoedische Sjeiks die op de staatstelevisie een conservatieve moraal prediken maar nooit kritiek hebben op de mensenrechtenschendingen in Egypte.

Het Zwitserse verbod op minaretten, Sarkozy’s Islambeleid wijst hij af, maar hij heeft begrip voor de moeilijkheden die westerse landen hebben met Wahabistische tendensen in hun land. Hij deelt de zorg! Keer op keer legt Aswani de vinger op de zere plek. Obama’s speech in Egypte bij zijn aantreden waarin hij oproep tot een nieuw begin met de islamitische wereld was een leuke poging, maar waarom ondersteunt hij dan een dictatoriaal regime als Egypte dat miljoenen in armoede bracht en vele duizenden mensen martelden in de gevangenis? Hebben die geen recht op democratie?

Opvallend is zijn aandacht voor de positie van de vrouw. Fel verdedigd hij de vrouwen tegen de vele schofterigheden van Egyptische mannen tot aan groepen jonge mannen die zich overgeven aan verkrachtingen midden op straat. Hij verdedigd hier echter evenzeer het Egyptische volk en wijst het Saoedische Wahabisme (dat vrij spel heeft op de staatstelevisie) en de regering die zijn volk dom en arm houdt, aan als verantwoordelijke.

Zelfs zijn landgenoot en collegaschrijver Gaber Asfoer krijgt een veeg. Asfoer was niet te belabberd om de ‘Khadaffi literaire prijs’ (t.w.v. 150.000 dollar) in ontvangst te nemen uit handen van Khadaffi zelf. Nee, neem dan een voorbeeld aan de Spaanse schrijver Juan Goytisolo, die de prijs weigerde ‘om de simpele reden dat ze ingaat tegen de principes waarin ik geloof.’ Een soortgelijke bewondering van steevast de liberale Mohammed el-Baradei ten deel. In de aanloop naar de Irak-oorlog was el-Baradei (hoofd van het Internationaal Atoomenergie Agentschap (IAEA)), niet te beroerd om een rapport op te stellen waaruit bleek dat er geen kernwapens in Irak waren en later waagde hij het om Amerika te vragen waar de tonnen aan wapens uit de depots waren gebleven. el-Baradei balanceert tussen het leger en de moslimbroederschap, en lijkt de ideale kandidaat om van Egypte een democratie te maken.

De moraal van het verhaal is een aanrader voor iedereen: westerlingen en westerse moslims, moslimbroeders en Egyptische jongeren: ‘Vrijheden zijn onscheidbaar… vrijheid krijgt alleen maar zijn waarde in de context van het verdedigen van andere rechten, de vrijheid en waardigheid van het volk.’

Democratie is de oplossing.

Een warm portret in tertiaire kleuren

Dromen van een Arabische lente van diplomate Petra Stienen, geeft niet wat de titel beloofd. Of zijn ze ingehaald door de werkelijkheid? Echter, de dromen van Stienen, schetsen het beeld van een Egypte dat snakt naar vernieuwing; de vormen die deze dromen zullen krijgen worden nu geschreven.

Het verhaal van Petra Stienen begint als jonge diplomaat in Egypte. Stienen, die Arabisch studeerde heeft een uniek voordeel op haar doorgewinterde collega’s: direct contact met het Egyptische volk. Het beeld dat zij schetst van de diplomatieke wereld is doet soms wat wereldvreemd aan. Jonge hippe hoogopgeleide juppen die zich moeiteloos een weg banen door een Noord-Afrikaanse metropool, zonder ooit notie te nemen van de realiteit van de lokale bevolking. Stienen moet wennen aan de vormelijkheid en hiërarchie, maar lijkt hierin al snel haar draai te vinden. Toch blijft er een verschil.

Stienens temperament brengt haar in contact met progressieve Egyptenaren. Kunstenaars, journalisten, schrijvers, feministen geven haar een uniek inkijkje in (wat zij noemt) het ‘echte’ Egypte. Het Egypte dat de gemiddelde toerist nooit zal zien. Bijzonder leerzaam zijn de beschrijvingen waarin zij lezingen bezoekt, waarvan de titel – voor het geoefende oog – vuurwerk beloven, maar die bij bezoek tegenvallen. Waar de niet-ingeleide westersling teleurgesteld zou afhaken, blijkt steevast een addertje onder het gras. Vaak wordt ze aangesproken door een bekende, die haar vertelt dat de geheime politie in de zaal een openlijk spreken verhinderd.

Dat zijn de addertjes die Stienen doorziet, waardoor ze veel dichter op de politieke realiteit van Egypte komt dan menig collega. Aangrijpend is vooral de scene waarin Stienen beschrijft hoe zij en Farah Karimi, destijds kamerlid van Groenlinks, kortstondig het vertrouwen winnen van Ramadan Shallah leider van Islamic Jihad winnen. ‘Natuurlijk zijn we onder bepaalde voorwaarden bereid Israel te erkennen en de oproep tot vernietiging af te zweren.’ (p297) Onderweg naar huis realizeren Karimi en Stienen zich het immense politieke belang van deze opening tot dialoog. Stienen meent dat de Iraanse achtergrond van het Nederlandse kamerlid vertrouwen wekte. De lezer realiseert zich onmiddellijk hoeveel goud wij in handen hebben met onze tolerante samenleving. Dezelfde tolerante samenleving die nu zo onder druk staat.

Meermaals moet Stienen laveren tussen politieke representatie en acute kansen in het veld. Ze schetst een warm beeld van de kleurrijke Egyptenaren die ze ontmoet, maar is ook fair over de vele problemen en hun oorzaken in Egypte. Het is geen droombeeld van duizend en één nacht dat ze schat. Het is zijn niet louter heldere kleuren, het een droom in tertiaire kleuren, maar een droom waar Nederland bij betrokken moet zijn. De Arabische lente is nu aan de gang. Stienen zal er niet meer bij zijn, maar ze leert haar lezers stilstaan bij de complexe en interessante ontwikkelingen in de Arabische wereld.

Ik zie een zwaargewicht in jou

Eric-Emmanuel Schmitt (1960) is een fijnbesnaard mens. Hij houdt van Mozart en dat telt. Hij begrijpt hem zelfs, want hij schreef er een boek over. Daarin legt hij niet uit wie Mozart was, of hoe jij hem moet begrijpen; het boek bestaat uit brieven aan de componist, zoals een echte leerling soms in gedachten brieven schrijft aan iemand in wie hij een meester herkende. Een leraar die zijn leven redde. Hij schrijft dat Mozart hem behoedde voor een voortijdige levensverdwijning.

Misschien is dat wat Schmitt tot kunstenaar maakt, zijn gevoeligheid om in een ander een leraar te herkennen en om ook het de mogelijkheid serieus te nemen om voor het leven te bedanken. Misschien is dat de filosoof in hem. Hij haalde zijn doctoraat aan het prestigieuze Ecole Normale Supérieure in Parijs, want hij had iets te overdenken. Hij zal vast heel slim geworden zijn. Maar die status maakte hem niet tot leraar van de mensheid en hij koos niet voor een leven in de filosofie.

Ik weet niet wat hij deed, en het maakt mij ook niet uit.  Ik las zijn Meneer Ibrahim en de bloemen van de koran omdat ik verliefd was. Het is een lief boek, want het toont de liefste kant van de Islam. Niet de dwingende letter, maar de broederlijke liefde tussen gewone mensen om straat die misschien niet eens de letter kennen en er toch de kern van begrijpen. Zo’n boek is Meneer Ibrahim, zo’n meneer is meneer Schmitt. En die wijsheid van gewone mensen op straat, bestaat in alle pogingen tot spiritualiteit ondernomen in iedere religie.

Het boek maakt deel uit van de inmiddels wereldberoemde ‘Cyclus van het onzichtbare’ over de wereldreligies. Wat onzichtbaar is, maakt Schmitt zegbaar in heel gewone woorden. In De sumoworstelaar die niet dik kon worden, klinkt het zo: ‘Ik zie een zwaargewicht in jou.’ In Meneer Ibrahim ‘Ik ben geen Arabier, Momo, ik kom van de vruchtbare maansikkel’, en verderop ‘Als het om kruideniers gaat, Momo, betekent Arabier: open van acht uur ’s morgens tot twaalf uur ’s nachts en zelfs op zondag.’ Dat zijn geruststellende zinnen, want ze zijn gemakkelijk te begrijpen.

In beide boeken – en ik denk Schmitt genoeg te begrijpen om te zeggen: in de hele cyclus –  gaat het om ontmoetingen tussen mensen. Mensen die door de maatschappij van elkaar gescheiden zijn. De ene mens is niet gediend van de ander, en de ander is niet afgeleid door de vooroordelen van de een. En langzaam, met kleine woorden, in korte gesprekken, verschijnt iets onzichtbaars. Schmitt benoemd het onzichtbare niet, maar laat het zijn. Hij benoemd de zinnen die gewone mensen uitspreken die veranderen nadat de scheidslijnen tussen ‘jij’ en ‘ik’ langzaam transparant worden.

‘kunnen we het ergens anders over hebben?’
‘We kunnen ook niets zeggen.’
Het bleef een tijdje stil.

Je moet een kunstenaar zijn om in gewone woorden, gebaren, bewegingen en kleuren het onzichtbare te laten schijnen. Schmitt doet dat zo kalm en zo zonder autoriteit, dat je bijna geloofd dat hij een heilige is. Maar dat is hij niet. Hij is een mens, en hij schrijft dunne romans. Zijn novellen brengen je tot rust, en doen gedachten die je het leven doen vervloeken vervliegen. Misschien dat ik hem op een dag een brief schrijft zoals een leerling, aan zijn leraar.

Macht via het bed van je rivalen


De mens is een beest, nauwelijks beschaafder dan de niet met rede begiftigde wezens, zo wist de Maupassant. Zoals het een goed naturalist en mondaine klaploper betaamt, had De Maupassant een scherp oog voor de ware drijfveren van de mens. Niet als een slager, maar als een chirurg legt Maupassant met sardonische precisie de zenuw onder de lelieblanke huid van de Parijse elite bloot.

Bel-Ami (goede vrind, in het Nederlands  ook vertaald als: Adonis) speelt zich af in het koloniale Frankrijk van de 19e eeuw. Het eurocentrisme is nog ongeknakt evenals de publieke eer. Schilders langs de oevers van de Seine beleven triomfen van het oog, de technologische vooruitgang maakt imperia mogelijk die hun weerga niet kennen en de Europese elite, rijk van speculatie op oorlogen en koloniën, waant zich god in Parijs, de culturele hoofdstad van de wereld. Op door drank benevelde bals gaan de zonde van het vlees en de politiek hand in hand.

Maar evenals vandaag is de roes van de op het oog onuitputtelijke rijkdom slechts mogelijk dankzij de enorme tegenstelling tussen arm en rijk, die de mensen verdeelt en de hebzucht die ieder weer verbindt en die voor de Maupassant zichtbaar is de glinstering in de honderdduizenden ogen in de stad van het licht. In de puffende mensenstroom tussen de koetsen, zware parfums van hoeren en de rinkelende trams loopt George Duroy, een ex-soldaat die drie jaar in Algerije diende, en die nu hongert naar drank, vrouwen… en kansen, maar zonder de centen of de connecties die hem toegang verschaffen tot de juiste etablissementen en onder de juiste rokken. Als hij een oude vriend Forestier tegen het lijf loopt, biedt deze hem een baan bij de krant aan. Een baan die hem, zo hoopt hij, snel een minnares zal opleveren.

De macht van de vrouw

De baan zal hem veel meer opleveren. Maupassant schetst een cynisch beeld van een roddelkrant waar men niet gehinderd door enige journalistieke integriteit door middel van vileine laster en met behulp van informanten op het hoogste niveau politieke carrières kan maken of breken. Daarbij spelen vrouwen een centrale rol. Op soirees en bals zijn het de vrouwen die – al dan niet via het bed in gehuurde appartementjes – het snelste de roddels kennen en de machtsbasis van henzelf én hun wettige echtgenoot met die informatie kunnen vergroten. Het is dé manier om carrière te maken, en Duroy heeft al snel een getrouwde minnares die hem introduceert op de juiste mensen op de juiste avondjes. Hij wordt een geziene gast die goed bij de vrouwen ligt en dus al snel in aanzien groeit. Duroy voelt zich als een vis in het water en kijkt dan ook raar op als een oude dichter hem op een dag de hypocrisie van de mondaine komedie voorhoudt. De gewetensvolle oude Nobert de Varenne ziet achter het feestgedruis van de elite de eeuwige waarheid van de dood; een perspectief waar Duroy geen moment van doordrongen is. Hij denkt slechts aan zijn nieuwste veroveringen.

De Maupassant laat – niet toevallig – bij monde van dichters en stervenden de waarheid gezegd worden, de pessimistische waarheid die in alle eeuwen door de optimisten wordt weggelachen.

psychologisch fileermes

Zoals veel naturalisten is De Maupassant een meester in de psychologische observatie, die hem in staat stelt om luchtig te blijven beschrijven en tegelijkertijd de motieven van de protagonist te onthullen. In een gruwelijke passage laat hij Duroy de vrouw van zijn baas verleiden. Niet omdat zij hem zo aantrekt, maar omdat zij bekend staat als kuis. Maupassant laat de schandelijke episode plaatsvinden in een kerk om zijn lezers nog dieper te kwetsen. In biddende houding breekt het verzet van de godvrezende mevrouw Walter. Ze bekend hem de gevoelens waartegen ze zich al meer dan een jaar verzet en smeekt hem min of meer om genade: ‘Speel niet met me… ik ben verloren.’ De volgende zin toont evenwel de grootsheid van de Maupassant. Duroy begrijpt de motieven van de vrouw niet en daarmee (en dus niet met de neergeschreven motieven van Duroy) toont hij de verdorvenheid van zijn protagonist: ‘Hij moest haast lachen. Hoe had hij daar ter plaatse met haar kunnen spelen? Hij drukte haar hand tegen zijn hart en vroeg: “Voelt u het kloppen?” Hij kon namelijk geen hartstochtelijke woorden meer bedenken.’

Uiteindelijk zal Duroy het kruis van het legioen van eer dragen, zijn vrouw voor een half miljoen afzetten en later publiekelijk aan de schandpaal nagelen, de minister van buitenlandse zaken in één moeite door tot de ondergang brengen om de weg vrij te maken voor een strategisch huwelijk met de schatrijke dochter van zijn baas Walter met wiens vrouw hij hem bedroog. De dichter Norbert de Varenne doorziet het spel en concludeert luchtig tegen een oud-collega: ‘Tja, de bozen hebben de toekomst!’ De laatste gedachte van Duroy als deze de kerk uitloopt is niet aan zijn vrouw, niet aan de posities die hij nu kan verwerven, maar aan zijn maîtresse. Sigmund Freud, de vader van de psycho-analyse had zich geen betere illustratie van zijn mensbeeld kunnen wensen.

Springplank voor een duik in de ijskoude diepte

Over de rauwe wereld – waar zelfs Nederlands spaargeld niet lang overleefde – schrijft Jón Kalman Stefánsson in Hemel en hel. De roman is het eerste deel van een triologie en tevens de eerste vertaling in het Nederlands. Evenals zijn nobelprijswinnende voorganger Halldór Laxness bijna zestig jaar eerder is het IJsland van Stefánsson een vastgevroren vlakte oersteen waarop het leven met moeite wortel probeert te schieten. De mens is geen groots wezen dat de natuur aan zich onderwerpt, maar eerder een warmbloedige vergissing van de natuur die hem dan ook ieder moment weer kan terugnemen in haar levenloze lichaam.

‘Op IJsland is niets te zien behalve bergen, watervallen grasbulten en dat licht dat dwars door je heen gaat en je tot dichter maken kan.’ Stefánsson volgt een jonge nerveuze bengel  die van dat licht doorschenen lijkt. Op geen enkele wijze is ‘de jongen’ geschikt voor het leven in een klein vissersdorp dat bevolkt wordt door keiharde zeelui, potige wijven en berekenende middenstanders die met kleine leningen het leven op land even onleefbaar als op zee maken.

‘De jongen’, is nog te jong om zich met bier en vrouwen in te laten en kijkt nog met ongeharde ogen naar de wereld. Zijn beste vriend Bardur lijkt meer op zijn plaats in het ‘Dorp’ dat ‘ons vertrek en -eindpunt, het middelpunt van de wereld is.’ Bardur schrijft liefdesbrieven aan Andrea een meisje van wier borsten ‘de jongen’ nog slechts kan dromen. Bardur leende Het verloren paradijs van John Milton ter inspiratie van een familie die wel 400 boeken bezitten. Maar dit klassieke gedicht, dat ik nog nooit in een context zo ver verwijderd van haar inhoud kon denken, is brengt niet de liefde, maar de dood dichterbij. Als de jongens scheeps gaan om mee te vissen en Bardur nog één keer naar de wal rent om het boek te pakken, vergeet hij zijn anorak. Als de boot in slecht weer geraakt is de jongen ten dode opgeschreven. Geen van de mannen leent hem zijn jas – wat zelfmoord zou zijn – en al snel bevriest de natte trui. De mannen kunnen het zich niet veroorloven om de vangst te laten mislukken en keren dus niet terug, ondanks het noodweer.

Als ze terugkomen is het leven verdwenen uit Bardurs ogen. De jongen ademt erop maar het helpt niets. De vermoeide mannen gaan in stilte het land op. ‘Het is ongelooflijk goed vaste grond onder de voeten te hebben. Dan ben je niet verdronken en kun je iets te eten krijgen na twaalf uur in een storm op de IJszee die de sneeuwjacht aan flarden scheurde.’

Met het verlies van Bardur verliest de jongen ook zijn enige relatie waarin hij zijn kinderlijke verbeelding kon delen. De kinderlijke verbeelding sterft met Bardur en de jongen staat alleen tegenover de harde realiteit. Als hij het geleende boek gaat terugbrengen in het nabije dorp droomt hij van sterven. Er niet meer zijn. Aangekomen bij het onbekende huis vol boeken valt de jongen slaap. Als hij ontwaakt wordt hij al vrij snel opgenomen in het huishouden dat gerund wordt door twee vrouwen en twee bejaarde kapiteins. Hij leert de mensen kennen die ook ooit allemaal hebben gefantaseerd, maar zich thans hebben neergelegd bij de harde realiteit. De zee, de drank, de ouder wordende vrouwen, de kou en de schulden.

Jón Kalman Stefánsson doorspekt de nieuwe realiteit met psychologische en filosofische reflecties die niet van de jongen komen. Ze zijn neergeschreven in de eerste persoon meervoud, waardoor de uitspraken lijken te zijn ontsproten aan de algemene consensus van de gemeenschap. De jongen vult zijn dagen met het voorlezen, bier en koffie schenken aan de beide bejaarde kapiteins Kolbein en Brynjolfur, die de gevoeligheid niet meer hebben om lang bij de problemen van de jongen stil te staan. De melancholie van de kapiteins, gepaard met hoestbuien, woedeaanvallen en veel drank, leert de jongen wel kennen.

Op de laatste pagina’s schetst Jón Kalman Stefánsson hoe de jongen gewaarwordt dat buiten Bardur langzaam oplost en een ijskoude vochtige luchtstroom wordt. De trilogie is nog niet voltooid, maar deel twee ligt reeds bij de vertaler. Het valt te hopen dat Stefánsson de jongen het ruime sop laat kiezen. Hemel en hel is een geweldige springplank voor een duik in de ijskoude diepten.

Lezen is zelfverlies, leven ook

Het kan niet helemaal toeval zijn dat Neerlands ‘premier lecteur’, Ger Groot zich zo intensief heeft beziggehouden met de figuur van Don Quichot. Quichot kon namelijk het onderscheid tussen literatuur en werkelijkheid niet maken. Dat onderscheid blijkt veel moeilijker dan gedacht. In zijn oratie ‘vergeten te bestaan’, geeft de bijzonder hoogleraar tekst en uitleg.

In zijn oratie poogt Groot grip te krijgen op de complexe verwevenheid tussen realiteit en fictie en daarvoor blijken Don Quichot het geesteskind van Miquel de Cervantes’, de aartsvader van de Europese romankunst en de roman Niebla van de Spaanse schrijver Miguel de Unamuno twee belangrijke gestalten te zijn.

Unamuno laat een personage zich afvragen of wat hij meemaakt nu werkelijkheid is of fictie. Aan het slot van Niebla legt de hoofdpersoon zelfs een bezoek af aan de schrijver. Unamuno schrukt zo dicht tegen het probleem van de realiteit van de roman aan, dat hij zichzelf – als schrijver – soms dreigt te ontmaskeren. Dat dit niet gebeurt interesseert Groot mateloos. Ook De Cervantes voert zichzelf als ‘een naamloze ‘ik, de schrijver’’ ten tonele in het verhaal. ‘Hij’ vindt het manuscript van de roman op de markt, en laat dat ook Cervantes en Sancho Panza onder ogen krijgen. Zij ontdekken verbaasd dat zij romanfiguren zijn geworden, en vragen zich af of hen wel recht is gedaan met de fictionalisering.

Dat spel, van realiteit in fictie en fictie in realiteit blijkt veel complexer dan het zogenaamde ‘willing suspension of disbelieve’; het tijdelijk ‘doen alsof’ literatuur werkelijk is kan verklaren. De boute scheiding tussen ware wereld en verbeeldingsvolle fictie is te grof, meent Groot.

Onder verwijzing naar Patricia de Martelaere stelt Groot dat fictie ons emotioneel vaak gemakkelijker beroerd dan de werkelijkheid. Het geluk lijkt echter in boeken, en het leed roert ons vaak tot tranen, waar we het in de werkelijkheid niet eens opmerken.  ‘Juist het niet-echte van het fictionele feit geeft ons ruimte om daarin helemaal op te gaan, met een betrokkenheid en emotie die van haar kant onvervalst echt is: daarover is in ieder geval geen twijfel mogelijk.’ Het draaipunt van werkelijkheid en fictie blijkt in de lezer te liggen. Het is de lezer, die het wereldse ‘ik’, achter zich laat en zonder moeite zich overgeeft aan de fictionele werkelijkheid, of liever, hij constitueert zijn ik IN de roman.

Dit doordenkt Groot Sartriaans. Wat is het ik? Sartre hield het ik voor een ‘virtuele haard van eenheid’. Het bestaat niet als het materiële snijpunt waarop externe impulsen samenkomen, maar het bestaat slechts áls die bundeling. En die ‘behoeft niet te berusten op enige materiële realiteit in zich. Binnen deze verhouding kan de werkelijkheid van de fictie een echte realiteit worden en kunnen wij de personages daarin ervaren als wezens die wij echt kunnen liefhebben of haten. Niet op grond van wat wij ons verbeelden, maar op grond van wat zij zijn.’

Dit gegeven is niet zo ingewikkeld als het lijkt. Iedereen die films als Avatar en The Matrix zelfs maar kunnen begrijpen, hebben deze realiteits-switsch en het benodigde ik-verlies meegemaakt. Het leven zelf laat ons doorlopend ons ‘ik’ vergeten.

Uiteindelijk erkent Groot, dat het mysterie van de literatuur zich altijd weer onttrekt aan rationele analyze. ‘De filosoof wil het raadsel begrijpen, of in ieder geval verhelderen: hoe kan fantasie echter zijn dan de werkelijkheid? Dat vraagt de lezer zich af wanneer de filosoof in hem zich ermee gaat bemoeien. Misschien maakt hij het raadsel daarmee alleen maar groter, zoals Harry Mulish heeft opgemerkt. Maar erg is dat niet, zo kunnen we eraan toevoegen: het raadsel vergroten is nu precies de taak van schrijvers en filosofen.’