Zuiverheid; Jonathan Franzen

Er lijkt geen einde te komen aan de literaire vruchtbaarheid van Jonathan Franzen (1959). Na de National Book Award en nét na(ast) de Puliter Prize, levert de gelauwerde schrijver met Zuiverheid zijn nieuwste pennenvrucht. De schrijver, die in Nederland pas écht doorbrak met Vrijheid (2010), waarna De Correcties ook snel opnieuw in herdruk verscheen. De migrantenzoon van Zweedse komaf lijkt uit te groeien tot één van de urgente schrijvers van dit moment.

Onze tijd in woorden vervat

Het is in de Nederlandse letteren zijn serieuze romans over de maatschappelijke issues van de tijd schaars. Het milieu, culturele diversiteit, Islam of de economische malaise dringen bijna niet door. Grunberg schreef één belangrijk werk dat langs het Israelisch-Palestijnse conflict scheerde, Tommy Wieringa schreef natuurlijk zijn antwoord op Odyssee Bagdad van de (Franstalige) Belg Éric-Emmanuel Schmitt, maar toch blijven de grote thema’s van onze tijd in de literatuur ver te zoeken. De personages blijven getormenteerde artistieke- of excentriekelingen die in de verwarring van het bestaan al dan niet meevaren op de golven en hun wegen blijven abstract, ver weg van de geopolitieke en ecologische stormen die onze cultuur bespoken.

Franzen, die in De Correcties (2001)  schreef over de carrière van Alfred Lambert, die een veelbelovende loopbaan aan de universiteit in rook zag opgaan na een seksschandaal blijf destijds nog klassiek in zijn aanpak. De protagonist probeert daarover mentaal evenwicht te bereiken door zijn frustratie op te schrijven en als scenario te slijten aan een filmproducent. In het proces verwoest hij de levens van zijn drie kinderen Denise, Gary en Chip. In de kenmerkende kalme en strakgecomponeerde scenes, bijna als een kunstschaatster, schetst hij pagina achter pagina zijn overrompelende visie op de westerse ziel. Franzen was 42 toen De correcties uitkwam en met die roman verwerfde hij zich in de Angelsaksische wereld waarderingen als ‘America’s novellist’ in Time Magazine (waardoor hijzelf grappend opmerkte dat hij nu in elk geval geen cult-schrijver meer was).

Dicht op de werkelijkheid

Net als in Vrijheid (2010) duikt nu nog directer in de ziel van onze tijd. Op de Zweedse televisie noemde hij zich ‘zoals veel Zweedse migranten’ een fatalist. Franzen toonde zich een goed criticus van onze tijd. Competitie was een drijfveer van waaruit hij met een panoramische blik uitkijkt op het landschap van de verdwijnende Amerikaanse burgerij.

Dicht op de ‘journalistieke werkelijkheid’, zet Franzen zijn personages in grote en kleine veranderingen van zijn tijd. Obama, Assange, Putin zijn zichtbare figuren in de levens van zijn romanpersonages, evenals de grote en kleine irritaties van social media, Facebook, de aanval op de Twin Towers en de verkiezingen van Obama spelen een rol. Franzen megasucces moet zijn oorsprong vinden in het intense sociaal realisme, dat haast vanzelfsprekend verweven raakt met de grote thema’s van deze tijd. Daarin is lijkt hij zo helder en relevant dat zelfs Brett Easton Ellis – die enkele jaren geleden met American Psycho eveneens werd gezien als de stem van zijn tijd – zich een overtuigde volger verklaarde.

De kwaliteit van Franzen zit in de breedte van zijn aandacht. Hij schrijft over mensen die worstelen met de seksuele verleidingen van het internet; de problemen van een generatie die opgroeide met gescheiden ouders, een studieschuld en de verlammende teleurstelling van generatie die de betrekkelijkheid van succes moet verteren en dit alles op een canvas waarin de geopolitieke spanning van nu, de technologische ontwikkelingen en de thema’s rondom het ecologische bewustzijn.

anonymous-psn-hackerIn Zuiverheid verweeft Franzen de levens van Tom Aberant, Andreas Wolf, Purity Tyler (‘Pip’).  Pip is geplaagd door een studieschuld. Met een goede opleiding maar zonder uitzicht op een serieuze carrière worstelt met zichzelf en met mannen. Na wéér een uitzichtloze date beland ze op zoek naar een condoom in de keuken in gesprek met een beeldschone Duitse antiglobaliste die een of ander serieus project in de VS uitvoert. De vrouw Annagret, verpest Pips seksuele uitspatting met Jason, en brengt haar in contact met een charismatische internetrebel Andreas Wolf. Aangetrokken door de carrièremogelijkheden én de mogelijkheden die samenwerking met een hackerscollectief biedt voor het achterhalen van verwaterde familiebanden stemt ze toe. Pip belandt in een geopolitiek spel van belangen en macht. Opnieuw speelt een deel van het verhaal zich af tussen welgestelden en invloedrijke mensen. Hij raakt opnieuw aan issues als privacy, media-oorlog en de duistere geheimen van multinationale corporaties. Tussen het geweld van de wraakzuchtige spelletjes van de groten der aarde raakt Pip’s leven en geestelijke gezondheid vermalen.

De roman leest als een allegorisch schilderij. Franzen bezit het unieke talent alle kleine en grote gebeurtenissen te schilderen die onze tijd in één beeld lijken te vatten.

Een college Lacan

Waarom Lacan nog lezen, vraagt Steven Z. Levine zich af in zijn studie Lacan Reframed. Al in de inleiding geeft hij het antwoord: ‘In order to try to be free!’
Is dit een restje van de inmiddels failliete American Dream, achtergebleven in het DNA van een bejaarde professor? Geenszins. Want het betreft hier niet de vrijheid in de maatschappij maar de vrijheid van de maatschappij. De maatschappij? Nee, nog fundamenteler; het gaat om vrijheid van ‘the verbal meanings of the symbols with which our languages address us and attire us’. En dan ben je inderdaad bij Lacan aan het goede adres. Als er één reden is waarom Freud nog in het collectieve geheugen zit en nog altijd wordt gedoceerd aan de universiteit, dan is dat niet in de laatste tijd de verdienste van Jacques Lacan (1901-1981) die zich zijn leven lang Freudiaan bleef noemen en met schier eindeloze creativiteit en durf de diepten van de menselijke drijfveren doorvorste. Door leonhard de paepe.

Lacan Reframed draagt als ondertitel A Guide for the Arts Student. Betekent dat dat dit boek voor een groot publiek toegankelijk is? Nou, het is vooral één lang geconcentreerd college over het gehele oeuvre van de Franse psycho-analyticus. De luie lezer die zich met wat bon mots hoopt te prikkelen, komt bedrogen uit. Levine is niet scheutig met anekdotes, verklarende voorbeelden of biografische achtergronden. Hij gaat in razende vaart over bekende Lacaniaanse leerstellingen als ‘het spiegelstadium’, ‘de paternale en maternale fallus’ en de ‘imaginaire, symbolische en reeële orde’.

Levine begint met een intensieve uitleg over de tegenstelling tussen Freud en Lacan. In tegenstelling tot Freud ziet Lacan het onderbewuste als een functie van de taal, (en niet de hersenen) en daarmee breekt hij de theorie open om niet het individu, maar veeleer de maatschappij waarin het individu functioneert, onder de loep te nemen. Zo vreemd is dat niet. Want als we dromen, kunnen we de beelden pas duiden door ze de volgende morgen in taal te analyseren. Ook al bij Freud bleek het onderbewuste pas analyseerbaar in versprekingen, op het moment dat men onbedoeld het achterste van de tong liet zien.

The Arts omvatten zowel de talige en literaire vakken, als de sociale wetenschappen en de kunstgeschiedenis, en het lijkt op het eerste gezicht een uitdaging voor studenten in die laatste richting om dit primaat van de taal (symbolische orde) boven het beeld (imaginaire orde) te verkroppen. Toch hoeft het niet problematisch te zijn. We leven in een wereld van betekenis. Die betekenis leggen wij door middel van taal op de werkelijkheid, maar taal is nooit een uitputtende beschrijving. Taal versluiert onherroepelijk delen van de werkelijkheid en het is knap lastig om achter die sluier te kijken. Voor de meeste mensen – die overigens hun leven lang dik tevreden blijven met de betekenissen die hen worden aangereikt – is het zelfs onmogelijk. Maar juist hier komt de kunstenaar om de hoek kijken. Hoewel zijn medium niet noodzakelijk het woord is, speelt hij een spel met de werkelijkheid. Hij lost het raadsel niet op, maar vergroot het juist door het gat tussen taal en werkelijkheid in te vullen. Of, in de woorden van Levine:

‘According to Lacan, religion avoided this primal emptiness by filling it with God. Science rejected this void, attempting to fill it with the equations of natural law. Art alone manifested the emptiness of the Thing, in the illusoriness of its form.’

Als het boek van Levine bovendien één verdienste heeft, dan is het wel dat hij laat zien hoezeer Lacans leven, zowel intellectueel als persoonlijk, verweven is met de kunst. Lacan behandelde de maîtresse van Picasso – met wie hij bevriend was. Hij kende André Breton goed, André Masson was zijn zwager, en Salvador Dali schrijft in zijn biografie The Secret Life of Salvador Dali (1942) over de ontstellende overeenkomst in psychologisch inzicht tussen hen beiden. Lacan meende net als Dali dat paranoia veel eerder dan dromen aanzet tot artistieke creatie.

In het nawoord zegt Levine het opnieuw: Lacan is een sleutel naar de vrijheid. Hoe die vrijheid van de maatschappij dan moet, vult Levine verder niet in. Paranoia? De burgerman spoedt naar de koelkast bij zulke woorden, maar de geesteswetenschapper die zin heeft in verdieping, spoede naar de winkel!