Strijdbaarheid, kritiek, frustratie en hoop

‘Blijf over onze menselijkheid praten. Blijf ons zien als mensen en niet als wilde beesten die elkaar willen afslachten. Laat zien dat er naast alle geweld en ellende nog steeds mensen zijn die zich willen inzetten voor een beter leven, voor een nieuwe toekomst waar waardigheid wel centraal staat.’ Deze woorden, van een politiek actieve Syrische imam inspireren Petra Stienen om zich opnieuw uit te spreken over de Arabische regio in een boek: Het andere Arabische geluid. Door leonhard de paepe.

Vechten voor een humanere samenleving

Na Dromen van een Arabische lente (2008), waarin de Arabische lente slechts werd aangestipt, schetst oud-diplomate Petra Stienen opnieuw een liefdevol beeld van de mensen in het Midden-Oosten die te weinig gehoord worden in hun strijd voor meer burgerrechten in de Arabische wereld.

Terwijl schreeuwerige protesten in reactie op de film Innocence of muslims de media wereldwijd domineren, toont dit boek wat daarmee nu eigenlijk overschreeuwd wordt: een rijk mozaïek van mensen die tegen de stroom in moeten vechten voor een humanere samenleving. Stienen is zeker geen romanticus ten aanzien van de Arabische lente. Meteen al in het begin maakt ze duidelijk: ‘De revolutie van 25 januari 2011 in Egypte [heeft] nog lang niet gebracht wat de jonge revolutionairen en hun vaders en moeders, ooms en tantes op het Tahrirplein hadden gevraagd: brood, vrijheid en sociale rechtvaardigheid.’

Stienen voorspelt dat in de komende jaren van onzekerheid in de Arabische wereld, veel aandacht in de media zal uitgaan naar ‘zorgwekkende ontwikkelingen zoals geweld tegen vrouwen, andersdenkenden en sektarische spanningen’. En daarbij zal ‘de angst voor toenemende invloed van islamitische groeperingen op de politiek en mogelijke instabiliteit door de val van dictators als Assad vaak harder doorklinken dan geluiden van mensen die ondanks alles geloven in een nieuwe toekomst voor het Midden-Oosten’.

De kracht van het persoonlijke verhaal

Die mensen wil Stienen een stem geven. Hier en daar beschrijft Stienen de belangrijkste recente ontwikkelingen: ‘Begin augustus 2012 neemt president Morsi een paar ingrijpende beslissingen, hij stuurt een aantal hooggeplaatste militairen met pensioen, onder meer de leider van de Hoge Militaire Raad en de minister van Defensie, Tantawi.’ Maar echte politieke analyse blijft uit. Grote vragen zoals naar de relatie met Israel worden niet diepgaand uitgewerkt, het belangrijke Suezkanaal wordt niet besproken en ook over de Egyptische economie komen we niets belangwekkends te weten.

Waar Stienen in Dromen van een Arabische lente bij het vooruitzicht op een low-budgetreis nog jubelde: ‘nu kunnen we bewijzen dat we geen verwende diplo-meisjes zijn’, lijkt ze nu meer ernst te maken. Stienens aandacht ligt onveranderlijk bij de mensen van wie ze houdt. Dat komt tot uitdrukking bij haar kritiek op de Nederlandse steun aan het internetactivisme in de Arabische wereld. Stienen vraagt dan:

‘Is Nederland nog steeds bereid deze activisten te blijven steunen met meer dan alleen mooie woorden? Zeker gezien het restrictieve migratie- en asielbeleid van de Nederlandse overheid is dat nog maar de vraag. Wellicht dat een enkeling enige tijd naar Nederland mag komen via een Shelter Cityproject. Maar mag de familie dan mee, of moet die thuisblijven? Wat als het om tientallen activisten gaat, of als er activisten in de knel komen in bevriende landen?’

Toch lijkt een ruimhartiger migratiebeleid een weinig probate maatregel voor structurele verbetering van rechten voor gewone burgers in de Arabische landen. De realiteit lijkt weerbarstiger dan dat. De schoonheid van het boek ligt dan ook opnieuw in de vele interviews met mensen met allerlei achtergronden. Hun strijdbaarheid, kritiek, frustratie en hoop.

Zij zeggen de interessante dingen, zoals Noura: ‘We zijn in Syrië en de rest van de Arabische wereld veel te veel geobsedeerd door die “ene”, met degene die macht heeft, of het nu de vader, God of de baas is.’ Of Hamid die verzucht: ‘Onze maatschappij duwt jongens net zo goed in een rolpatroon. Hij moet straks alles op zich nemen, de bruidschap, het huis, het meubilair. Want er zijn nog veel vrouwen die niet willen trouwen met iemand die dat niet doet. En zou houden we elkaar gevangen in een houdgreep van traditie, cultuur en religie.’  Door die interviews legt Stienen een interessante link met Nederlandse jongeren.

‘Hun vragen lijken op de onderwerpen die in de Arabische omwenteling centraal staan, zoals kansen op de arbeidsmarkt, het doorbreken van de gevestigde orde en het in vrijheid kiezen voor je eigen toekomst. Wellicht kunnen de oplossingen die jongeren in de Arabische wereld vinden, ook iets voor onze toekomst betekenen.’

Laten we hopen dat Het andere Arabische geluid daaraan bijdraagt.

Arabisch lentezonnetje helder; de herfst waterig?

Dé revolutie is nog zo vers dat goede theorie over het onderwerp schaars zijn. Journalisten in de regio buitelen over elkaar heen om hun impressies naar de uitgever te sturen. Een van de meest spannende verslagen is van de hand van de Vlaamse journalist Jorn de Cock.

Arabische lente, een reis tussen revolutie en fatwa, beschrijft vooral de knotsgekke reis van de Cock zelf. Vanuit zijn standplaats Damascus, waar hij woont met zijn vrouw Reem en jonge dochtertje, bereisde hij de Arabische wereld. Van Jemen, tot Libië en van Tunesië tot Egypte. Hij ontmoet de inmiddels beroemde bloggers, hij spreekt via Skype met migranten die vanuit Amerika, Canada en Europa met vierkante ogen alles wat er gebeurd op het beeldscherm volgen.

Met een zekere spijt stelt de Cock vast dat hij te laat was om de revolutie in Egypte mee te maken, en daarom reisde hij met grote haast naar Libië om de het rebellenleger aldaar te volgen. Hij komt goed op stoom als hij tussen de Gradraketten, de achtergelaten mobieltje met filmpjes van de Khadaffitroepen, vreugdeschoten, met in T-shirts gehulde rebellen zijn weg baant door de Libische woestijnen. Overal ontmoet de Cock vriendelijke mensen, die evenwel verwoede strijders zijn voor hun vrijheid. Dat leidt soms tot verwarrende situaties. De Cock kijkt in de ogen van tientallen lijken om vijf minuten later lachende kindergezichten te zien die op straat rondrijden in de golfkarretjes van Kadaffi.  Hij ontmoet Libische Nederlanders die in plat Amsterdams vertellen dat ze wachten op NAVO bombardementen, hij komt zelfs in de villa van Khadaffi’s dochter Aisha (de Claudia Schiffer van Noord-Afrika) waar hij in een in de haast achtergelaten reiskoffer haar condooms vindt.

De best geïnformeerde hoofdstukken van de Cock, gaan echter over Syrië, waar hij de situatie het beste kent. Syrië slaat de opstand vooralsnog keihard neer. De Cock – die zo dicht bij het vuur zit – had een opstand in Syrië ook niet verwacht. Interessant zijn zijn gesprekken met voormalige leden van de moslimbroederschap in Egypte. De broederschap is doorgaans een gesloten bolwerk. Maar na de revolutie implodeerde zij enigszins. Velen maakte carrière in de broederschap maar onderschrijven de dogmatiek toch niet geheel in lijn met de partij. De afvalligen geven inzicht in de complexe partijstructuur en zetten de Cock aan tot vragen over de toekomst van deze partij. Somber wordt het wanneer hij schrijft dat er sinds de revolutie – nu alweer bijna een jaar geleden – nog slechts één politieagent is veroordeeld. Daarentegen zijn honderden opgepakte jongeren nog altijd in de gevangenis. Ook lijkt de eenheid tijdens de protesten alweer bijna tenietgedaan.

Toch breekt de Cock in de epiloog een lans voor de democratisering in de Arabische wereld. Hij wijst erop dat de culturele verwevenheid tussen het westen en het Midden-Oosten groot zijn. Dat de eerste oproep tot een globale jihad kwam niet uit Afghanistan, maar uit de Wilhelmstraße in Berlijn. Het Duitse keizerrijk probeerde zijn macht uit te breiden in het Midden-Oosten door de moslimbevolking op te zetten tegen Britse overheersing met een fatwa vol (op zich) relevante Koranpassages. Maar het had nauwelijks effect. De overwegingen van de moslimbevolking waren politiek. En dat zijn ze – aldus de Cock – nog steeds. De religie is belangrijk voor deze mensen, maar uiteindelijk is de juiste analyse voor de regio – net als elders – een politieke. En de overwegingen die mensen in hun leven maken zijn slechts zelden religieus gemotiveerd, meestal economisch… Niemand kan voorspellen waar ‘het heengaat’, maar de ontwikkeling im großen ganzen is bemoedigend. De Cock moedigt ons aan om  culturele vooroordelen hier te lande achter ons te laten en te kijken naar de concrete situatie en geduld en hoop te koesteren: ‘Het zijn gruwelijks, spannend, verwarrende tijden in het Midden-Oosten. Maar geen enkel gevoel is sterker dan hoop.’

Van Nasser tot Mubarak… en terug?

Achttien dagen duurde het. Op ‘de dag van de woede’, 25 januari 2011 trokken losjes georganiseerde groepen jongeren aangevoerd door de ‘6 april beweging’ en de ‘Wij zijn allen Khaled Saïd-groep’, naar Tahrir Square. De wereld hield keek ademloos mee via Al-Jazeera, youtube, blogsites en zag dat Mubarek viel. Wat nu?

De Egyptische econoom Tarek Osman (1975) schreef met Egypte, een geschiedenis van Nasser tot Mubarak een verhelderend narratief. Met vaardige hand legt hij het politieke krachtenveld bloot achter de recente gebeurtenissen. De salafisten, islamisten en de broederschap aan de ene kant, de liberale islamieten, de christelijke Kopten, de jonge cosmopolieten zijn de uitkomst van een bewogen en complexe geschiedenis van Nasser tot Mubarak.

Nasser

Gamal Abdel Nasser (1917 – 1970) wordt in de Arabische wereld gezien als een van de grootste Arabische leiders in de geschiedenis. Op 23 juli 1952 kwam hij na een geweldloze staatsgreep aan de macht, waarbij hij de ‘playboy-koning’ Faroek afzette en de republiek uitriep. Daarmee kwam een einde aan het ‘Parijs aan de Nijl’, het op Europa gerichte Egypte en begon het seculiere Arabisch nationalisme. Nasser bracht Egypte zelfstandigheid en voerde een seculier beleid. Hij omarmde de Islam als beschavingskader, maar hield het buiten de politiek. Daarmee nam hij de Egyptische christenen voor zich in. Een ‘briljante balanceeract’, aldus Osman. De dood van sjeik Hassan al-Banna bood Nasser een buitenkans om de moslimbroederschap af te schaffen, en belangrijke leden te verbannen of op te sluiten. Het Arabisch nationalisme richtte zich op de Arabische identiteit en niet de religieuze identiteit.

Nasser kende grote triomfen, zoals de landhervorming die duizenden boeren een betere toekomst gaf. Zijn hoogtepunt was de alliantie met Syrië. Nasser was het gezicht van Arabische hoop en trots in het post-koloniale Midden-Oosten. De glorie van het Arabisch nationalisme kwam hard ten einde in de zesdaagse oorlog in 1967. Drie kwart van het Egyptische leger werd in een week vernietigd door Israel. Deze vernedering maakte een eind aan de hoop van miljoenen Arabieren.

Sadat

Na Nassers dood in 1970 was het Arabisch nationalisme al dood. Anwar Sadat (1918 – 1981) trad aan en voerde een islamistische koers. Eind jaren 70 kende een opleving van religieuziteit waar Sadat schijnbaar op inspeelde. Echter hij brak met de Sovjet-Unie om van Egypte een trouwe bondgenoot van de VS te maken en voerde Egypte weg van een centraal geleide economie naar een vrijemarktkapitalisme. De Camp-David akkoorden tussen Egypte en Israel in 1978 werden geacht ‘een tijdperk van vrede in te luiden, maar werden door miljoenen juist gezien als ‘verraad aan de miljoenen die in de Sinaï gestorven waren’ en de belichaming van een ‘nationale vernedering en schande’, schrijft Osman.

Op 6 oktober 1981 bleek het complexe spel van Sadat failliet. Hij werd op een militaire parade vermoord door leden van de Egyptische Islamitische Jihad. Zo wreekte de vernedering van de Zesdaagse Oorlog zich dus op Sadat en de stabiliteit in de regio.

Mubarak

Hosni Murabak (1928) die naast Sadat zat bij de aanslag, kwam aan de macht. De eerste jaren kende hij een zeker succes. De beschrijving van Osman, doet denken aan het optreden van iemand als Gordon Brown. Een pragmatische manager zonder charisma met weinig gevoel voor ceremonie en nauwelijks retorische begaafdheid. Osman beschrijft hoe Mubarak Egypte in het globalistische kapitalisme onderbracht. Mubarak bracht hervormingen die toch ‘nooit in de buurt kwamen van de ‘structurele hervormingen’ waarop het Internationale Monetaire Fonds (IMF) herhaaldelijk had aangedrongen.’ (190) De plannen zouden echter ongekend hard uitpakken voor de levensstandaard van de lagere inkomensgroepen. Leningen waren de enige oplossing.‘Het Egyptische regime had dringend behoefte aan financiële hulp op de korte termijn en was in 1991 gedwongen de voorschriften van de IMF te aanvaarden.’ Het resultaat was hetzelfde als in alle kapitalistische landen: ‘snijden in de sociale voorzieningen, pensioenen en essentiële subsidies’, een steeds sneller groeiende kloof tussen straatarm en schatrijk, een versmelting van macht en rijkdom, en golven van privatisering van staatsbedrijven die de onderklasse afsloot van cruciale diensten zoals elementaire gezondheidszorg en educatie.

Schokkende armoede dwong miljoenen in uitzichtloze situaties, zelfs hun organen te verkopen om in leven te blijven. ‘de armen zijn de organen van de rijken’, schrijft Osman. De econoom somt de cijfers op: 40% van de rijkdom van het land was in handen van 5% van de bevolking, 45% van het totale vermogen in de markt was in handen van minder dan 20 families. Net als in Chili, Rusland, Argentinië, en sinds 10 jaar ook de westerse landen, was repressie en dwang de enige manier om opstanden te onderdrukken. De Egyptische staatsmedia zongen lof van ‘het einde van de geschiedenis’ en loyaliteit aan het Anglo-Saksische Kapitalisme.

Geen wonder dat de moslimbroederschap enorm aan macht kon winnen in de steeds meer lagen van de bevolking die door Mubarak aan hun lot overgelaten werden. En Mubarak zelf overkwam hetzelfde als westerse leiders in de afgelopen twee decennia overkwam ‘van de man Egypte regeerde, werd hij de hoogste gezagdrager in een nieuwe machtstructuur die werd gedomineerd door enkele van Egyptes machtigste financiële instellingen.’

Toen op 29 januari dit jaar het moment aanbrak dat de overleving van Mubarak’s presidentschap afhing van de militaire bereidheid het vuur te openen op meer dan een miljoen mensen, weigerde het leger dat resoluut.

En verder…

Zo schetst Osman, de geschiedenis die leidde tot de revolutionaire gebeurtenissen van 2011. Opvallend is dat hij blind is voor de parallel met de jongerenopstand in Portugal, Griekenland en Spanje, en de occupy-beweging die momenteel in 1500 steden over de hele wereld protesteert tegen de banken. Hoewel het hoofdstuk over Mubarak de voormalige dictator beschrijft als een keiharde kapitalist ziet Osman geen moment de bredere betekenis van de gebeurtenissen in zijn land.

Sterker, in de laatste hoofdstukken is Osman het spoor volledig kwijt. Zijn conclusie is een staaltje analytische verwarring die we dagelijks in de gevestigde media kunnen  zien. Hoewel hij in hoofdstuk 7, de wanhoop van de jongeren goed vervat (hij ziet zelfs de generatiekloof die ook hier te lande langzaam door analytici wordt waargenomen) lijkt hij geen moment het revolutionaire elan aan te voelen. De in Engeland werkende econoom blijft zelf een brave gelovige van de meest ontwrichtende ideologie sinds fascisme en communisme. Doodleuk wijst hij als doorslaggevende factor achter de revolutie de ‘economische zelfstandigheid’ van jongeren aan. Pardon? Schreef hij net niet dat sommigen hun organen verkopen om te overleven? Wie zijn die zelfstandigen dan, als dat niet de kinderen van Mubaraks kapitalistenklasse zijn?

‘Voor de toekomst van Egypt is het nu een van de belangrijkste vragen hoe de private sector en de vertegenwoordigers daarvan hun economische macht zullen omzetten in politieke macht’, schrijft Osman, alsof het mogelijk is om een bedrijf binnen te lopen en daar aan de balie te vertellen dat je – en miljoenen met jou – werkeloos bent. Dat een alleszins ontwikkelt mens, niet lijkt te beseffen dat alleen de publieke zaak, een politieke zaak is, verbaasd. Private bedrijven hebben geen politieke verantwoordelijkheid (anders zouden ze niet privaat zijn) en verdedigen zich ook altijd met dat argument.

Als voorbeeld van ‘hoop’ noemt Osman ‘een dertigtal jonge Egyptenaren die uit New York en Londen naar hun land zijn teruggekeerd’ en ‘nieuwe investeringsfondsen lanceerden die zich uitsluitend richten op de achtergebleven gebieden in al-Saeed’. Denkt Osman echt dat deze jonge in de financiële wereldhoofdsteden New York en London opgeleide kapitalisten het falen van het kapitalisme gaan repareren? Met hetzelfde gemak spreekt hij over de economisch onafhankelijke middenklasse (p250), terwijl hij een bladzijde eerder nog schreef dat ‘50% van hen [jongeren] nog steeds geen toegang heeft tot moderne scholen en ziekenhuizen, laat staan een pc.’

Osman, die schrijft voor verscheidene neoliberale kranten als The Financial Times, The Independant, The Guardian slaat in zijn conclusie de plank volledig mis. Met behulp van en zelfverzonnen onderscheid tussen ‘kapitalisme’ en ‘een verwrongen vorm van kapitalisme’ probeert hij een ruimte te creëren voor een kapitalistisch alternatief. Maar de argumenten bijten zichzelf keer op keer in de staart. Hoewel de ‘financiële onafhankelijke middenklasse’, die een hoofdstuk eerder nog niet bestond het helemaal gaat maken, zullen ‘de sectoren die hooggekwalificeerde vaardigheden vereisen klein blijven, met een sterk geconcentreerd eigenaarschap en slechts beperkte overloopeffecten.’ Op de ene pagina (244) is de jeugd niet maatschappelijk betrokken, en op de andere pagina in opkomst. Op de ene pagina zijn zij verwesterd terwijl op de andere ‘de islamisten steeds meer weerklank vinden in brede lagen van de bevolking’ (262). Enerzijds is Egypte volkomen maatschappelijk ontwricht en vatbaar voor salafisten en islamisten door jarenlang kapitalisme en anderzijds haalt de econoom doodleuk Adam Smith’s onzichtbare hand aan: ‘Adam Smith’s onzichtbare hand trok in het eerste decennium van de eenentwintigste eeuw aan de touwtjes en stimuleerde creativiteit, vernunft en vindingrijkheid.’

Hier zit dus een ideologische blinde vlek bij de sterjournalist. Osman deed een poging maar bewijst in de laatste hoofdstukken conceptueel niet in staat om te begrijpen wat er wereldwijd gaande is. Geschiedenis wordt op dit moment geschreven en het is aan iedereen die wil om haar te doorgronden.

Tahrir Square, Everywhere!

Tahrir Square Everywhere!

Milton Friedman, neem hem nu maar zijn nobelprijs van de economie af. Het is een sekte, een leugen die niet bestand is tegen de wereld.’

Lieven de Cauter sprak bij Casa Luna over de Occupy beweging die deze week in navolging van de opstand in Egypte wereldwijd doorbrak. Tien jaar was hij boos en  tien jaar pessimist, toch klonk het jubelend: Tahrir Square Everywhere!!!

Luister hier de uitzending.

http://www.radio1.nl/contents/39412-filosoof-lieven-de-cauter-is-al-tien-j-r-woedend


Van Ayn Rand, via Alan Greenspan tot de kredietcrisis is het een utopie. Human Resource, alleen de term zou alle alarmbellen moeten doen afgaan. Management lijkt politiek neutraal, maar dat is het niet. We zijn allemaal deel van het kapitalisme. Het neoliberalisme zit ons tot in de poriën.

Maar het is een utopie en ik kan een zesjarige uitleggen dat de 1% de 99% beroofd. Op Wallstreet, bij de banken zitten de rovers en ze roven al dertig jaar. Iedereen kan het nu zien. Het is evenwel een wereldwijde utopie.

Dat via sociale netwerksites, losjes georganiseerd op facebook en dergelijke het mogelijk is om in Brussel, Berlijn, Madrid, New York, Amsterdam, Den Haag, en Rome, is een voorbeeld van een geheel nieuw soort van intelligentie. Zwermintelligentie. Waar vanaf Plato alle politieke theorieën de menigte zagen als een ongestructureerde kracht die beteugeld en geleid moest worden. En nu blijkt dat er een intelligentie bestaat in een genetwerkte menigte die zichzelf organiseert. Op Tahrir Square organiseerde de menigte drie hospitalen, oude vrouwtjes kwamen eten uitdelen, de Christelijke activist George Ishak (zie beeld hieronder) trad op als leider van de burgerlijke oppositiegroepen genoemd: Kefaya (Genoeg!), waarbij zelfs vooraanstaande islamist Abdelwahab al-Meisseiry zich aansloot. Kopten en moslims organiseerde hun gebedstijden zodat zij elkaar konden beschermen als de politie aan zou vallen. Op het laatst stonden er aldus de Cauter 3 miljoen mensen op straat, 3x Brussel!

Tahrir Square Cairo is het ankerpunt volgens de Cauter. Tahrir Square is de uitkomst van 9/11. Dit is waar de clash of civilization eindigt; waar Project for a New American Century, het intellectuele program van de Bush administratie dat werelddominantie ambieerde, eindigt. In 2011 was het Kefaya en dat stemt ons hoopvol.  ‘Hoop komt nu echt uit de Arabische wereld’.  Daarom zegt de Cauter nu al maanden: Tahrir Square Everywhere!

 

Een warm portret in tertiaire kleuren

Dromen van een Arabische lente van diplomate Petra Stienen, geeft niet wat de titel beloofd. Of zijn ze ingehaald door de werkelijkheid? Echter, de dromen van Stienen, schetsen het beeld van een Egypte dat snakt naar vernieuwing; de vormen die deze dromen zullen krijgen worden nu geschreven.

Het verhaal van Petra Stienen begint als jonge diplomaat in Egypte. Stienen, die Arabisch studeerde heeft een uniek voordeel op haar doorgewinterde collega’s: direct contact met het Egyptische volk. Het beeld dat zij schetst van de diplomatieke wereld is doet soms wat wereldvreemd aan. Jonge hippe hoogopgeleide juppen die zich moeiteloos een weg banen door een Noord-Afrikaanse metropool, zonder ooit notie te nemen van de realiteit van de lokale bevolking. Stienen moet wennen aan de vormelijkheid en hiërarchie, maar lijkt hierin al snel haar draai te vinden. Toch blijft er een verschil.

Stienens temperament brengt haar in contact met progressieve Egyptenaren. Kunstenaars, journalisten, schrijvers, feministen geven haar een uniek inkijkje in (wat zij noemt) het ‘echte’ Egypte. Het Egypte dat de gemiddelde toerist nooit zal zien. Bijzonder leerzaam zijn de beschrijvingen waarin zij lezingen bezoekt, waarvan de titel – voor het geoefende oog – vuurwerk beloven, maar die bij bezoek tegenvallen. Waar de niet-ingeleide westersling teleurgesteld zou afhaken, blijkt steevast een addertje onder het gras. Vaak wordt ze aangesproken door een bekende, die haar vertelt dat de geheime politie in de zaal een openlijk spreken verhinderd.

Dat zijn de addertjes die Stienen doorziet, waardoor ze veel dichter op de politieke realiteit van Egypte komt dan menig collega. Aangrijpend is vooral de scene waarin Stienen beschrijft hoe zij en Farah Karimi, destijds kamerlid van Groenlinks, kortstondig het vertrouwen winnen van Ramadan Shallah leider van Islamic Jihad winnen. ‘Natuurlijk zijn we onder bepaalde voorwaarden bereid Israel te erkennen en de oproep tot vernietiging af te zweren.’ (p297) Onderweg naar huis realizeren Karimi en Stienen zich het immense politieke belang van deze opening tot dialoog. Stienen meent dat de Iraanse achtergrond van het Nederlandse kamerlid vertrouwen wekte. De lezer realiseert zich onmiddellijk hoeveel goud wij in handen hebben met onze tolerante samenleving. Dezelfde tolerante samenleving die nu zo onder druk staat.

Meermaals moet Stienen laveren tussen politieke representatie en acute kansen in het veld. Ze schetst een warm beeld van de kleurrijke Egyptenaren die ze ontmoet, maar is ook fair over de vele problemen en hun oorzaken in Egypte. Het is geen droombeeld van duizend en één nacht dat ze schat. Het is zijn niet louter heldere kleuren, het een droom in tertiaire kleuren, maar een droom waar Nederland bij betrokken moet zijn. De Arabische lente is nu aan de gang. Stienen zal er niet meer bij zijn, maar ze leert haar lezers stilstaan bij de complexe en interessante ontwikkelingen in de Arabische wereld.