Franse nieuwe

Na 1945 ontstond er een volstrekt origineel filosofisch elan in Frankrijk, een filosofie waarin de differentie centraal stond, die achter de grenzen van de zuivere rede kon kijken en de brug tussen leven en denken maken kon. Sindsdien komt de meest principiële filosofie uit Frankrijk. Thans is er een generatie denkers volwassen geworden in precies deze traditie. Tijd voor De nieuwe Franse filosofie.

Vanaf de eerste bladzijden is duidelijk dat hier iets spannends gebeurd. De nieuwe Franse filosofie kent een bijzonder goede inleiding waar de auteurs in enkele tientallen pagina’s de besproken denkers situeren in de periode tussen de opstanden van mei 1968 tot de opstanden in de banlieu’s van 2005. Duidelijk wordt dat mei ‘68 en de periode daarop zich een omslag aftekende.
Onder andere de vertaling van Alexander Solzjenitsyns De Goelag Archipel, slaat in als een bom ‘Het communistische ideaal verliest in één klap zijn onschuld en voortaan zal iedere linkse denkers zich moeten verhouden tot het gewelddadige potentieel van het communisme.’ Dit leidt tot een tweedeling van linkse filosofen die zich moeten verhouden tot de verloren onschuld en rechtse filosofen die het liberalisme omarmen en soms publieke intellectuelen werden.

Nu ook het liberalisme in het slop is geraakt lijkt het tijd voor een ‘tussenstand’. In acht clusters komen steeds vier tot vijf denkers aan bod die hedendaagse thema’s uitwerkten waaronder: laïcisme en democratie, stad en burger, consumptiemaatschappij en kapitalisme en kunst voorbij de representatie.

De jonge auteurs maken duidelijk dat de ‘postmoderne’ denkers niet langer de toon aangeven, maar dat er een nieuwe generatie is gerijpt. ‘Nieuwe’ namen als Isabelle Stengers, Loïc Wacquan, Quentin Meillassoux, Jaques Ranciere en Nicolas Bourriaud naast ‘vergeten’ namen als Gilbert Simondon  complementeren gevestigde namen als Lyotard, Deleuze, Foucault en Nancy en maken deze studie tot een schatkamer. Weg met de postmoderne ironie, weg met het anything goes, en terug naar de straat lijkt het devies. De verfrissende kritiek op de consumptiemaatschappij, het mediaspektakel, het onrecht in het hart van het kapitalisme is bij vlagen snoeihard en compromisloos, maar houdt de lezer van begin tot eind op het puntje van zijn stoel.

Dat een dergelijke Nederlandstalige studie uit Rotterdam komt mag de ingewijde geest niet verbazen. Nu de gure populistische wind lijkt te zijn gaan liggen waarin enkele jaren terug gevestigde filosofen meevoeren om in de media te komen met slogans, geven de jonge Rotterdamse filosofen – sommigen nog nauwelijks de dertig gepasseerd – een visitekaartje af. Een uppercut met gevolgen.

Jaren geleden kocht ik een filosofieboek in de ramsj De mens in de filosofie van de 20e eeuw van Jan Sperna Weiland. De Rotterdamse emeritus hoogleraar toverde de moeilijkste inzichten uit de 20e eeuwse filosofie in hun sociale context voor mijn geestesoog. Het enthousiasme voor het denken was zo aanstekelijk dat dit boek mij ertoe aanzette om filosofie te gaan studeren. Zou ik vandaag een jongeling ontmoeten met interesse voor de filosofie, dan zou ik hem zonder aarzelen dit boek aanraden. De nieuwe Franse filosofie is een voorstel tot een nieuw canon. We zijn getuige van een regimewisseling in de top van de intellectuele wereld, en de nieuwe Rotterdamse filosofen wijzen de weg!