Ik zie een zwaargewicht in jou

Eric-Emmanuel Schmitt (1960) is een fijnbesnaard mens. Hij houdt van Mozart en dat telt. Hij begrijpt hem zelfs, want hij schreef er een boek over. Daarin legt hij niet uit wie Mozart was, of hoe jij hem moet begrijpen; het boek bestaat uit brieven aan de componist, zoals een echte leerling soms in gedachten brieven schrijft aan iemand in wie hij een meester herkende. Een leraar die zijn leven redde. Hij schrijft dat Mozart hem behoedde voor een voortijdige levensverdwijning.

Misschien is dat wat Schmitt tot kunstenaar maakt, zijn gevoeligheid om in een ander een leraar te herkennen en om ook het de mogelijkheid serieus te nemen om voor het leven te bedanken. Misschien is dat de filosoof in hem. Hij haalde zijn doctoraat aan het prestigieuze Ecole Normale Supérieure in Parijs, want hij had iets te overdenken. Hij zal vast heel slim geworden zijn. Maar die status maakte hem niet tot leraar van de mensheid en hij koos niet voor een leven in de filosofie.

Ik weet niet wat hij deed, en het maakt mij ook niet uit.  Ik las zijn Meneer Ibrahim en de bloemen van de koran omdat ik verliefd was. Het is een lief boek, want het toont de liefste kant van de Islam. Niet de dwingende letter, maar de broederlijke liefde tussen gewone mensen om straat die misschien niet eens de letter kennen en er toch de kern van begrijpen. Zo’n boek is Meneer Ibrahim, zo’n meneer is meneer Schmitt. En die wijsheid van gewone mensen op straat, bestaat in alle pogingen tot spiritualiteit ondernomen in iedere religie.

Het boek maakt deel uit van de inmiddels wereldberoemde ‘Cyclus van het onzichtbare’ over de wereldreligies. Wat onzichtbaar is, maakt Schmitt zegbaar in heel gewone woorden. In De sumoworstelaar die niet dik kon worden, klinkt het zo: ‘Ik zie een zwaargewicht in jou.’ In Meneer Ibrahim ‘Ik ben geen Arabier, Momo, ik kom van de vruchtbare maansikkel’, en verderop ‘Als het om kruideniers gaat, Momo, betekent Arabier: open van acht uur ’s morgens tot twaalf uur ’s nachts en zelfs op zondag.’ Dat zijn geruststellende zinnen, want ze zijn gemakkelijk te begrijpen.

In beide boeken – en ik denk Schmitt genoeg te begrijpen om te zeggen: in de hele cyclus –  gaat het om ontmoetingen tussen mensen. Mensen die door de maatschappij van elkaar gescheiden zijn. De ene mens is niet gediend van de ander, en de ander is niet afgeleid door de vooroordelen van de een. En langzaam, met kleine woorden, in korte gesprekken, verschijnt iets onzichtbaars. Schmitt benoemd het onzichtbare niet, maar laat het zijn. Hij benoemd de zinnen die gewone mensen uitspreken die veranderen nadat de scheidslijnen tussen ‘jij’ en ‘ik’ langzaam transparant worden.

‘kunnen we het ergens anders over hebben?’
‘We kunnen ook niets zeggen.’
Het bleef een tijdje stil.

Je moet een kunstenaar zijn om in gewone woorden, gebaren, bewegingen en kleuren het onzichtbare te laten schijnen. Schmitt doet dat zo kalm en zo zonder autoriteit, dat je bijna geloofd dat hij een heilige is. Maar dat is hij niet. Hij is een mens, en hij schrijft dunne romans. Zijn novellen brengen je tot rust, en doen gedachten die je het leven doen vervloeken vervliegen. Misschien dat ik hem op een dag een brief schrijft zoals een leerling, aan zijn leraar.