Een warm portret in tertiaire kleuren

Dromen van een Arabische lente van diplomate Petra Stienen, geeft niet wat de titel beloofd. Of zijn ze ingehaald door de werkelijkheid? Echter, de dromen van Stienen, schetsen het beeld van een Egypte dat snakt naar vernieuwing; de vormen die deze dromen zullen krijgen worden nu geschreven.

Het verhaal van Petra Stienen begint als jonge diplomaat in Egypte. Stienen, die Arabisch studeerde heeft een uniek voordeel op haar doorgewinterde collega’s: direct contact met het Egyptische volk. Het beeld dat zij schetst van de diplomatieke wereld is doet soms wat wereldvreemd aan. Jonge hippe hoogopgeleide juppen die zich moeiteloos een weg banen door een Noord-Afrikaanse metropool, zonder ooit notie te nemen van de realiteit van de lokale bevolking. Stienen moet wennen aan de vormelijkheid en hiërarchie, maar lijkt hierin al snel haar draai te vinden. Toch blijft er een verschil.

Stienens temperament brengt haar in contact met progressieve Egyptenaren. Kunstenaars, journalisten, schrijvers, feministen geven haar een uniek inkijkje in (wat zij noemt) het ‘echte’ Egypte. Het Egypte dat de gemiddelde toerist nooit zal zien. Bijzonder leerzaam zijn de beschrijvingen waarin zij lezingen bezoekt, waarvan de titel – voor het geoefende oog – vuurwerk beloven, maar die bij bezoek tegenvallen. Waar de niet-ingeleide westersling teleurgesteld zou afhaken, blijkt steevast een addertje onder het gras. Vaak wordt ze aangesproken door een bekende, die haar vertelt dat de geheime politie in de zaal een openlijk spreken verhinderd.

Dat zijn de addertjes die Stienen doorziet, waardoor ze veel dichter op de politieke realiteit van Egypte komt dan menig collega. Aangrijpend is vooral de scene waarin Stienen beschrijft hoe zij en Farah Karimi, destijds kamerlid van Groenlinks, kortstondig het vertrouwen winnen van Ramadan Shallah leider van Islamic Jihad winnen. ‘Natuurlijk zijn we onder bepaalde voorwaarden bereid Israel te erkennen en de oproep tot vernietiging af te zweren.’ (p297) Onderweg naar huis realizeren Karimi en Stienen zich het immense politieke belang van deze opening tot dialoog. Stienen meent dat de Iraanse achtergrond van het Nederlandse kamerlid vertrouwen wekte. De lezer realiseert zich onmiddellijk hoeveel goud wij in handen hebben met onze tolerante samenleving. Dezelfde tolerante samenleving die nu zo onder druk staat.

Meermaals moet Stienen laveren tussen politieke representatie en acute kansen in het veld. Ze schetst een warm beeld van de kleurrijke Egyptenaren die ze ontmoet, maar is ook fair over de vele problemen en hun oorzaken in Egypte. Het is geen droombeeld van duizend en één nacht dat ze schat. Het is zijn niet louter heldere kleuren, het een droom in tertiaire kleuren, maar een droom waar Nederland bij betrokken moet zijn. De Arabische lente is nu aan de gang. Stienen zal er niet meer bij zijn, maar ze leert haar lezers stilstaan bij de complexe en interessante ontwikkelingen in de Arabische wereld.