Cultureel Zwarte Pieten

Zwarte-kunstenaar-wil-racistische-intocht-Sinterklaas-tegenhoudenZwarte Piet is racistisch, en erger nog: de figuur van Zwarte piet bewijst dat Nederlanders diep racistisch zijn. Het eerste wordt beweerd door Quinsy Gario, die Zwarte Piet bij Pauw en Witteman dit jaar een ‘koloniale oprisping, noemde. Het tweede werd geïmpliceerd door professor Verene Shepherd. Ondertussen lijkt geen intellectueel het voor Zwarte Piet op te durven nemen. (hier is de uitzondering)

Met zijn optreden bij Pauw en Witteman ontketende Gario een enorm maatschappelijk debat. Hij sprak zelf in het Amerikaanse nieuwsprogramma The Stream. In dat programma kwam een zwarte journaliste aan het woord die op Curacao woont, en getuige was van het sinterklaasfeest, inclusief zwarte piet. Zij vroeg zich af of zij als Amerikaanse niet teveel haar culturele concepten op die van die van Curacao legde door zich gekwetst te voelen. Is iets wel racistisch is, als degenen die gediscrimineerd worden, zich niet gediscrimineerd voelen, vroeg zij zich af.

Gario: ‘Dat is juist een signaal van discriminatie […] Mensen die geboren en getogen zijn in een Nederlandse omgeving, nemen de Nederlandse cultuur mee. Inzien dat deze praktijk racistisch is, vergt educatie. Ik heb vrouwenstudies, koloniale studies, genderstudies, culturele studies en sociologie gedaan in Utrecht en daar heb ik leren kijken naar beelden in een internationale context.’ (v.a. 12.43)

Het protest op het Malieveld heeft veel Nederlanders doen schrikken. De agressie, haat en  onwil met elkaar in gesprek te gaan was geen moment van nationale trots. Reacties als: ‘als het je hier niet bevalt, dan ga je toch terug naar je eigen land’, zijn geen adequate reacties op het betoog van Quincy Gario die niet pleitte voor afschaffing, en zelfs niet voor aanpassing van het volksfeest.

Tot in de Verenigde Naties is er inmiddels over vergaderd. Er werd onderzoek gedaan naar de Nederlandse cultuur. Al na een paar dagen kreeg de wereld, bij monde van Verene Shepherd  voorzitter van de  “Working Group of Experts on People of African Descent” van de OHCHR, te horen dat “”The working group cannot understand why it is that people in the Netherlands cannot see that this is a throwback to slavery and that in the 21st century this practice should stop”. In een tekst adviseerde zij Nederland als volgt: ‘they should adopt a US-style “Santa Claus” instead.

Blackface

In de Amerikaanse media, wordt Zwarte Piet geïdentificeerd als Blackface. ‘Blackface’, is een term afkomstig uit de Amerikaanse theaterwereld. Het is oorspronkelijk een makeuptechniek die gebruikt werd in de minstrel shows. Blackface was een stereotypische karikatuur die in een soort varietéprogramma succes had vanaf ongeveer 1830. De gehate figuur werd hét exemplarische symbool voor rassenscheiding uit de African-American Civil Rights Movement. De figuur van Blackface werd afgeschaft in de jaren 60.

Minstrel_PosterBillyVanWare

De koppeling tussen Blackface en een zeer neerbuigende houding ten aanzien van African-Americans, is evident. De koppeling tussen Blackface en Zwarte Piet is eveneens snel gemaakt, voor een Amerikaan. Maar in de Nederlandse context is de figuur van Blackface nieuw.

In een geglobaliseerde wereld, zijn debatten doordrongen van kennis en denkbeelden van buiten de lokale context. Gario leert Nederlanders naar Zwarte Piet kijken als racistisch, precies zoals hij het zelf tijdens zijn vele studies heeft geleerd. De koppeling tussen Blackface en Zwarte Piet getuigt daarvan. Mevrouw Sheppard die Nederland adviseerde de Nederlandse cultuur te corrigeren met de Amerikaanse, doet dat eveneens. En de argumenten zijn niet direct duidelijk. Waarom is Zwarte Piet, die zwart is door het roet van de schoorsteen, dezelfde als Blackface, die stamt uit een tijd dat zwarten niet op het podium mochten? En er zijn meer bezwaren. Hebben zwarten het exclusieve recht op zwartheid en blanken over witheid? Mogen blanken bezwaar maken tegen de Japanse Geisha’s, die hun gezicht wit poederen. En wat te denken van jonge Zoeloes die bij initiatieriten hun gezicht wit verven? Is dat een karikatuur van blankheid? Natuurlijk niet! Dat is hun cultuur.

Why-a-white-South-African-risked-traditional-circumcision

Nederlandse intellectuelen zouden zich internationaal moeten uitspreken over de Nederlandse cultuur. Zij zijn bij uitstek geschikt en kunnen de ophef de-escalleren. Dat is de taak van een intellectueel in een gemeenschap. De grote Nederlandse historicus Herman Pleij, sprak in een discussierogramma Het Boze Oog, in 2011 echter de volgende zin uit: ‘het lijkt de hele tijd alsof tradities moervast liggen, en dat is niet zo.’ Precies dát is geen zinvolle bijdrage. Het idee van een traditie is immers dat het continuïteit geeft. Natuurlijk heeft Pleij gelijk dat tradities doorlopend veranderen – de roe, is in de jaren 60 ‘officieel’ op televisie afgeschaft – maar die verandering kan niet worden afgekondigd omdat meneer Pleij dat zegt. Culturele veranderingen zijn de uitkomst van een emancipatiestrijd.

Emancipatie

De Franse filosoof Jacques Ranciere daar veel over geschreven. Voor hem is emancipatiestrijd het wezen van politiek. Iedere maatschappij – niet alleen de multiculturele – heeft een deel dat niet vertegenwoordigd is in het maatschappelijk debat. Dit deel-dat-geen-deel-heeft, heet: ‘sans part’. Bij een emancipatie staat een ‘nieuwe’ groep op, die zichzelf ervaart als ‘drager van rechten die nog niet erkent zijn’. Om gehoord te kunnen worden, moeten zij zich in de publieke ruimte manifesteren, zoals ook Gario, die met zijn vrienden naar het sinterklaasfeest ging in T-shirt’s waarop stond: ‘Zwarte piet is racisme’. Nadat de sans part zichtbaar is geworden wordt zij onderdeel van het maatschappelijk debat en worden hun argumenten ‘zegbaar’; bespreekbaar, overtuigend en uiteindelijk misschien wel common sense.

Lang niet elke emancipatie is wenselijk. Pedofielenpartij ‘Martijn’ is een voorbeeld. Pedofielen herkenden zichzelf als dragers van rechten die nog niet erkent zijn, en vroegen aandacht voor wat in hun ogen een normale seksuele voorkeur was (of zou kunnen zijn) als de maatschappij hen dezelfde rechten zou geven als heteroseksuelen. Het is niet direct duidelijk dat hun mislukte emancipatie betreurenswaardig is.

Een emancipatie krijgt principieel uitwerkingen die niet voorzien of gewenst zijn. Dat extreem rechtse partijen onder verwijzing naar vrouwenemancipatie de islamitische cultuur als achterlijk portretteert is niet voorzien door feministen in de jaren 60. Zodra echter conservatieve krachten de concepten uit een emancipatiediscours overnemen, dan geldt die emancipatie als common sense.

Emancipatie is dus niet iets waar je domweg ‘voor’ moet zijn, maar precies dát is wat Nederlandse intellectuelen schijnen te denken. Zodra er enig verwijt aan de Nederlandse cultuur gemaakt wordt, lijkt een aanzienlijk deel van onze intelligentsia zich direct achter de kritiek te scharen. Daarmee de-escaleren zij de situatie niet en er is soms sprake van een dubbel discours. Na de rellen in het Midden-Oosten als gevolg van de Mohammedcartoon zochten veel intellectuelen naar verklaringen voor de volkswoede. Ze brachten nuance aan, waar anti-islam partijen Egypte voortvarend als fundamentalistisch land wegzette.  Hoeveel moeilijker was de positie van Egyptische intellectuelen, die tegelijkertijd hun landgenoten berispten om hun barbaarse reactie (er werden brandbommen gegooid naar ambassades, en natuurlijk weer Coptische kerken in brand gestoken. Reken maar dat dit voor Egyptische intellectuelen geen moment van nationale trots was), en tegelijkertijd expliciteerden zij internationaal de achterliggende problemen en de soms kwalijke rol van westerse mogendheden daarin.

Precies dát is wat een Nederlandse intellectueel zou moeten doen. Niet zoals Pleij wijzen op de vergankelijkheid van cultuur of schaamte over de achterlijkheid van de eigen cultuur belijden, maar net als Arabische intellectuelen rustig uitleggen wat onze cultuur inhoud. Als de vele boze en ongenuanceerde reacties, op het Malieveld iets bewijzen, dan is het dat wij niets beter zijn dan Egyptenaren. Ook wij hebben een explosieve laag in de bevolking die woedend reageert wanneer zij hun identiteit aangevallen zien. De cartoon raakte het hart van moslims, door de gelijkstelling van de profeet en de moslimterrorist. En evenzo wordt de Nederlandse cultuur aangevallen door de gelijkstelling van een geliefd volksfeest met racisme en slavernij.

Natuurlijk komt dat hard aan, en als Gario zijn proces tegen de Nederlandse staat wint zal dat opnieuw hard aankomen. Precies zoals het oudere Egyptenaren tijdens de revolutie zwaar viel kritiek op Mubarak te uitten, omdat het tevens kritiek op Egypte impliceerde, precies zo zal het veel Nederlanders voorkomen als een aanval op hun land als Gario wint. Bij de cartoonrellen stonden veel intellectuelen begripvol tegenover de houding van de woedende menigte. Bij een Nederlandse aangelegenheid serveren zij hun eigen volk echter onmiddellijk af. Worden er hogere eisen gesteld aan Nederlanders dan aan Egyptenaren? U mag het invullen.

Het is duidelijk dat Gario voorbij gaat aan de beleving van miljoenen ten aanzien van het Sinterklaasfeest, maar hij wel heeft gelijk als hij zegt dat iemand die opgroeit in Nederland ook Nederlandse concepten overneemt. Nederlandse intellectuelen (wie anders?) zouden die moeten verdedigen, tegen aanvallen van buitenaf. Onze cultuur en onze concepten zijn niet a priori slechter dan anderen. En Zwarte Piet is niet racistisch omdat hij op ‘Blackface’ lijkt. Zowel Gario als Shephard confronteren Nederland met Amerikaanse concepten, en Shephard meent zelfs Nederland te mogen adviseren dat wij onze feestdagen op Amerikaanse leest zouden moeten schoeien. Het opdringen van uitheemse concepten heette vroeger: cultureel imperialisme. Waren we daar nu juist niet tegen?

racisten

Ik wil in het geheel niet beweren dat het sinterklaasfeest onveranderlijk is. Gario is een Nederlander die een maatschappelijk debat aanjaagt. Hij mobiliseert door zijn optreden in The Stream en zijn gang naar het Europese hof van mensenrechten buitenlandse kritiek en dat mag. Dat dit populaire volkswoede mobiliseert is eveneens een feit. Daarvoor mag Gario niet verantwoordelijk gesteld worden. Emancipatie gaat niet zonder strijd.

Een nieuwe sans part?

Maar onderwijl, ziet Nederland zich geconfronteerd met een groeiende groep Nederlanders die zich niet serieus genomen voelt. Hen wordt doorlopend racisme verweten, wat hen als gesprekspartner diskwalificeert.  In heel Europa is deze groep in opkomst. De emancipatie van Gario staat dus loodrecht op een andere emancipatie, namelijk die van Europeanen met nationalistische sentimenten. Het is aan de intellectueel om op te staan en de redelijkheid van beide discours te wegen op zijn merites en te zoeken naar een brug waardoor vreedzame co-existentie mogelijk is. Dat is de uitdaging, nee, een noodzaak voor een multiculturele samenleving. Daar is denkkracht voor nodig, en moed. Geen a priori mea culpa.

Hannah Arendt stelde in gesprek met Günther Gauss in 1964 ten aanzien van haar complexe houding ten aanzien van haar Joodse identiteit: wie aangevallen wordt als Jood, moet zich verdedigen als Jood. Op dezelfde manier handelen Egyptische vrouwen geconfronteerd met de schrikbarend hoge cijfers van seksuele intimidatie: wie aangevallen wordt als vrouw, moet zich verdedigen als feminist. Hetzelfde geldt ook voor ons: wie aangevallen wordt als blanke racist, moet zich verdedigen als Nederlander en het in oneindig complexe ironie, opnemen voor Zwarte Piet. Er zou niets mis mee zijn, als Nederlandse intellectuelen onder dat motto een béétje weerbaarder zouden opstellen.

‘Welkom in Egypte’

Welkom in Egypte! Mooiere woorden om de brug met een vreemdeling te slaan, zijn misschien nog nooit verzonnen en Arabieren zijn er gul mee. Wie als toerist naar Egypte gaat zal deze woorden bekend in de oren klinken. Op vakantie in een van de prachtige vijfsterren all inclusive resorts in de zuidelijke Sinaï of toeristenparadijs Hurghada, compleet met boottocht over de Nijl, een kamelentocht door de woestijn of op de Quad, overal heten Egyptenaren je welkom en overladen je met warme aandacht, cocktails en de heerlijkste mediterrane gerechten.
Mijn introductie in Egypte was in dat opzicht niet anders. Op uitnodiging van de piepjonge, maar internationaal doorgebroken choreograaf Adham Hafez, kwam ik aan op het vliegveld van Cairo en hoorde uit diens mond precies dezelfde woorden.

hurghada
Erg toeristisch was mijn voorbereiding niet. Ik had geen korte broeken bij me, geen reisgids, zonnebril of zonnebrandolie. Maar wie de uitgestoken hand van de welkomstgroet aanneemt, zou  zich eveneens interesseren voor degene die hem welkom heet.
Voorafgaand aan mijn vertrek uit Nederland had ik maandenlang intensief gestudeerd op het Arabische land aan de vruchtbare Nijldelta – niet veel groter dan het totale oppervlakte van Nederland – waar ruim tachtig miljoen mensen samenwonen. Wat was mijn reisgids? Wel, de geschiedenis van de drie dictators: Gamal Abdel Nasser, Anwar Sadat en de zojuist door het volk afgezette Hosni Mubarak; daarnaast studies over de Arabische lente van buitenlandcorrespondenten en diplomaten, de biografie over Mohammed van de beroemde oriëntalist Maxime Rodinson en zelfs de scholastieke filosofie van Al-Ghazali. Ik leerde dat Egypte vijf inkomstenbronnen heeft: olieopbrengsten, heffingen van het Suezkanaal, overmakingen door Egyptenaren in het buitenland, buitenlandse hulp en toerisme. Onder Mubarak haalde het land jarenlang groeicijfers van wel zevenprocent. Macro-economische cijfers die de gestage verpaupering van de onderklasse niet konden tegenhouden.
Mijn opdracht in Egypte was het geven van zes lezingen over dans en revolutie aan dansers en choreografen verbonden aan het HaRaKa-instituut waar Adham Hafez de geestelijk vader van is. Mijn PhD-college politieke filosofie aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten in Den Haag was onder zijn aandacht gekomen en was reden geweest om mij uit te nodigen in Cairo. Mijn colleges hadden doorlopend de escalatie van volksopstanden in Egypte en de twijfelende reactie daarop van wereldleiders als uitgangspunt genomen. De berichtgeving en livecam op Tahrir Square vormden als het ware een realtime illustratie voor het college.

Het dansinstituut lag bezaaid met flessen wijn, antikoloniale publicaties, jointjes, en rapporten over de mensenrechtensituatie. Een publicatie van de Egyptische organisatie voor Mensenrechten op de mantel van de haard, schatte dat minstens 18.000 mensen zonder aanklacht of proces gevangen zaten. Ik wist het al, maar in Cairo, tussen de mensen voor wie dit dagelijkse realiteit is, voelde diezelfde informatie anders.
Het HaRaKa instituut ligt op een steenworp afstand van Tahrir Square, een plaats die inmiddels heilig is voor een groot deel van de Cairenen. Dáár hadden een miljoen mensen gestaan toen Mubarak de pantserwagens op het volk af liet rollen, daar was de strijd geleverd tegen criminelen die Mubarak als in een laatste wanhoopsdaad op het volk had losgelaten. De organisch georganiseerde weerstand van het volk is inmiddels beroemd. Provisorische ziekenzaaltjes werden bemand door ziekenhuispersoneel die na hun dienst naar het plein spoedden, moeders kwamen eten brengen, meisjes scheurden stukken van hun rokken voor molotovcocktails en arbeidersjongens vormden de frontlinie in de strijd tegen de oproerpolitie. Voor een heel korte periode was het Egyptische volk verenigd geweest op Tahrir. De gemiddelde toerist zal zich niet realiseren dat vrijwel iedere Egyptische passant die beelden op het netvlies heeft staan en geen Egyptenaar zal erover vertellen.

Toen ik er kwam, waren de meeste appartementen met uitzicht op Tahrir inmiddels verhuurd aan cameraploegen uit heel de wereld, maar het leger liet zich er niet meer zien. De stad hing bezaaid met verkiezingsposters van honderden kansloze presidentskandidaten. Overal heerste bedrijvigheid en stonk het naar uitlaatdampen. Op een handjevol foto’s van martelaren op Tahrir Square na, herinnerde niets aan de opstand van begin dat jaar.
Mijn eerste volledige dag in Cairo viel samen met oud en nieuw. Op het stoffige plein waar het verkeer inmiddels als vanouds rond raasde leek niets een nieuwjaarsfeest aan te kondigen. Maar de mensen van HaRaKa verzekerden mij dat verschillende groepen, waaronder de broederschap, de salafisten, de communisten, de liberalen en de feministen ongetwijfeld bezig waren zich voor te bereiden op een volksfeest. En inderdaad, die avond stroomde het Tahrirplein vol Egyptenaren. Iets na elven kwamen vanuit alle richtingen Kopten met kaarsen uit de kerken het plein op. Hafez was buiten zichzelf van geluk toen de Kopten het provisorisch gebouwde podium betraden en begonnen te preken. \ Hij vertaalde hun woorden. Ze spraken hun zegen uit over Egypte en al haar inwoners. Sterker nog, ze dankten Jezus dat hij in zijn jeugd veiligheid had gezocht in hun land en noemden Egypte een christelijk land. Daarna zongen geëmotioneerde christenen en moslims samen hun volkslied en lieten ballonnen op voor allen die gestorven waren in de strijd tegen Mubarak.
Enkele uren later stond ik in de luxewijk Zamalek tussen de dansers van HaRaKa in een dure toeristendiscotheek. Iedereen ging los  op de dansvloer. Terwijl de eerste berichten in internationale kranten repten van de unieke gebeurtenis op Tahrir Square, sprak ik met een Nederlandse fitnessinstructeur die zich er niet van bewust was dat er zich een revolutie had afgespeeld in Egypte. Wel was het hem opgevallen dat een biertje in Utrecht net zoveel kost als in Cairo.

De dagen daarna installeerde ik mij in het instituut en bestudeerde  boeken die ik nodig had voor mijn lezingen. ’s Avonds waren er vergaderingen die half zakelijk van aard waren, en half tot doel hadden om op verhaal te komen. Ik ontdekte dat de mensen van het HaRaKa-instituut vrijwel allemaal eens waren opgepakt of beschoten en dat iedereen wel iemand  kende die nog in het ziekenhuis lag. De klusjesman, een eerstejaars student filosofie, had een pak slaag gekregen in de kelders van het Egyptisch museum voor het maken van foto’s van pantserwagens. De SCAF had tijdens en kort na de revolutie delen van het wereldberoemde museum gebruikt als strafkamers. Hij liet me de rode littekens op zijn rug zien.

Tijdens mijn dagelijkse wandelingen door de stad werd ik vrijwel op iedere straat aangesproken door wildvreemden, die, zo bleek keer op keer, mij visitekaartjes wilden geven of obscure winkels in wilden lokken en daarbij steevast handtastelijk werden. Het verbaasde mij dat iedereen mij herkende als toerist. In de grote steden van Nederland is de diversiteit zo groot dat iedereen anoniem over straat kan. In Cairo hoorde ik overal: Welkom in Egypte, om me daarna een winkel in gelokt te worden. Het enige middel tegen deze irritante ontmoetingen bleek expliciete onvriendelijkheid.
Dit laatste raadde mijn collega’s van HaRaKa me aan. Zij hadden geen medelijden met me. Ik was buitenlander, dus toerist. Toerist, dus handel, en je kunt het een Egyptenaar niet kwalijk nemen dat hij handel probeert te drijven.

Iets heel anders dat me na een paar weken begon op te vallen begon subtieler. Het viel me op dat ik in een mannenwereld leefde. In het streng islamitische land was de enige vrouw die ik soms tegenkwam een moederlijke operazangeres op het instituut. Verder had ik geen enkel contact met vrouwen. Niet eens oogcontact. Egyptische vrouwen en meisjes keken me niet aan op straat. Vrouwen bleken in de metro in aparte compartimenten te zitten en in de winkels werd ik geholpen door mannen. Na enkele weken werd het irritant om nooit met een vrouw te kunnen praten. De sensatie te leven in een ‘halve wereld’ is zelfs aan intelligente mensen moeilijk uit te leggen, als ze het zelf nooit hebben meegemaakt.
Via via ontmoette ik Ali, een vrolijke jongen en een fervent lid van de moslimbroederschap, met wie ik het er eens over had. Ali begreep niet echt waar ik het over had. Ali luisterde belangstellend naar mijn uiteenzetting over de omgang tussen mannen en vrouwen in Nederland, en nodigde me uit om met zijn vrienden naar Hurghada te gaan. Hij had er jarenlang gewerkt en hij vertrouwde me samenzweerderig toe erg van Russische vrouwen te houden. Pas later begreep ik dat hij af en toe met vrienden van de moslimbroederschap naar het toeristenparadijs zo’n vierhonderd kilometer buiten Cairo ging, in de hoop op seks. Russische vrouwen staan bij de Egyptenaren bekend als de meest losbandige en seksueel toegankelijke vrouwen, hoewel Ali me regelmatig vertelde dat alle westerse vrouwen zich aangetrokken voelen door Egyptische mannen; hun ongeëvenaarde hoffelijkheid en donkere ogen zijn ten ene male onweerstaanbaar.
Een westerling erbij in Hurghada zou echter toch onzichtbare deuren openen en dus was ik van harte welkom om mee te gaan.
Het was ook voor hen de enige kans om in contact te komen met vrouwen. De enige vrouwen die mij op straat aankeken en met wie ik in contact kon komen waren toeristen. Soms zag ik ze met blote armen rondlopen, luidruchtig shoppend en lachend. Het contrast met de grimmige sfeer uit de verhalen van de sociale strijd aan het HaRaKa instituut konden niet groter zijn en de toeristen in Cairo begonnen mij bizar voor te komen. Toeristen delen niet in de werkelijkheid van de Egyptenaar en interesseren zich er ook niet voor. Andersom is het beeld dat de Egyptenaar van de westerling heeft, gevormd door toeristen. Dat leidt tot een hardnekkig beeld van westerlingen, als niet in staat de (lokale) werkelijkheid te begrijpen. Ik had er soms behoorlijk last van. Zelfs bij de mensen van HaRaKa werd ik soms in eerste instantie als westerling gediskwalificeerd als gesprekspartner als er een meningsverschil was.
2013-07-03T184626Z_367743938_GM1E97407KI01_RTRMADP_3_EGYPT-PROTESTS-980x704

Op een avond zat ik in een donkere kroeg aan de oever van de Nijl en sprak erover met Adham Hafez. Hij bestelde whisky en verzuchtte dat onder Sadat het beleid van intifah werd ingevoerd. Daarmee brak met het socialisme van Nasser. De bescherming van arbeiders werd stap voor stap afgebroken en hij opende de Egyptische markten voor buitenlandse multinationals en investeringen. Toerisme bleek een godsgeschenk dat als nieuwe inkomstenbron enthousiast werd aangeboord. Plotseling kwamen de toplocaties voor nieuwe hotels en accommodaties en andere economische voordelen in handen van voormalige officieren van het leger en de inlichtingendiensten. De totale opbrengsten uit toerisme groeiden van vrijwel niets in de jaren zeventig naar vier miljard dollar in 2007. Overal schoten toeristische ressorts als paddenstoelen uit de grond. Complete stranden werden afgezette gated communities, waar gewone Egyptenaren, zo vertelde de choreograaf, zonder speciale opleiding uit geweerd werden. Toeristen werden in de dictatuur op subtiele wijze gescheiden van de Egyptische bevolking.
Ik vroeg wat voor opleiding hij bedoelde. Hafez legde, nippend aan zijn glas whisky, uit dat de opleidingen toerisme in de jaren negentig erg aantrekkelijk werden voor jonge Egyptenaren zoals Ali die anders voorbestemd waren voor werkeloosheid, en bovendien noodzakelijk voor de – in Egyptische ogen – extreme seksuele losbandigheid, de geldsmijterij en het alcoholmisbruik waarmee personeel in toeristische gebieden geconfronteerd wordt. Ik vroeg hem waar de opleidingen uit bestonden. Hij gniffelde dat het een soort stoomcursus interculturele antropologie was en jonge mensen leert om te gaan met toeristen.
In 2008, zei Hafez, werkte ruim anderhalf miljoen Egyptenaren in het massatoerisme. Bijkomend voordeel was – uitsluitend voor mannen – dat een baan in het toerisme mogelijkheden in zich droeg tot huwelijken met westerse vrouwen, en dus verblijfsvergunningen. Vele duizenden jonge mannen zijn op deze manier naar het westen gemigreerd. De huwelijken mislukken vrijwel altijd.
Ik realiseerde me dat vrijwel geen toerist in Egypte ooit écht Egypte heeft gezien. Wat ze zien is een zorgvuldig georchestreerde illusie, waaruit sociale en politieke conflicten zijn weggeretoucheerd. De toeristen nemen op geen enkel moment deel aan de  werkelijkheid van de Egyptenaren. Andersom krijgen Egyptenaren al een even eendimensionaal beeld van westerlingen als één shoppende, zuipende en feestende massa.
Massatoerisme is pervers zei ik geschokt.
Hafez keek me stilletjes aan en zei: dankjewel.
Om er een kleine stilte later lachend aan toe te voegen: welkom in Egypte.

Strijdbaarheid, kritiek, frustratie en hoop

‘Blijf over onze menselijkheid praten. Blijf ons zien als mensen en niet als wilde beesten die elkaar willen afslachten. Laat zien dat er naast alle geweld en ellende nog steeds mensen zijn die zich willen inzetten voor een beter leven, voor een nieuwe toekomst waar waardigheid wel centraal staat.’ Deze woorden, van een politiek actieve Syrische imam inspireren Petra Stienen om zich opnieuw uit te spreken over de Arabische regio in een boek: Het andere Arabische geluid. Door leonhard de paepe.

Vechten voor een humanere samenleving

Na Dromen van een Arabische lente (2008), waarin de Arabische lente slechts werd aangestipt, schetst oud-diplomate Petra Stienen opnieuw een liefdevol beeld van de mensen in het Midden-Oosten die te weinig gehoord worden in hun strijd voor meer burgerrechten in de Arabische wereld.

Terwijl schreeuwerige protesten in reactie op de film Innocence of muslims de media wereldwijd domineren, toont dit boek wat daarmee nu eigenlijk overschreeuwd wordt: een rijk mozaïek van mensen die tegen de stroom in moeten vechten voor een humanere samenleving. Stienen is zeker geen romanticus ten aanzien van de Arabische lente. Meteen al in het begin maakt ze duidelijk: ‘De revolutie van 25 januari 2011 in Egypte [heeft] nog lang niet gebracht wat de jonge revolutionairen en hun vaders en moeders, ooms en tantes op het Tahrirplein hadden gevraagd: brood, vrijheid en sociale rechtvaardigheid.’

Stienen voorspelt dat in de komende jaren van onzekerheid in de Arabische wereld, veel aandacht in de media zal uitgaan naar ‘zorgwekkende ontwikkelingen zoals geweld tegen vrouwen, andersdenkenden en sektarische spanningen’. En daarbij zal ‘de angst voor toenemende invloed van islamitische groeperingen op de politiek en mogelijke instabiliteit door de val van dictators als Assad vaak harder doorklinken dan geluiden van mensen die ondanks alles geloven in een nieuwe toekomst voor het Midden-Oosten’.

De kracht van het persoonlijke verhaal

Die mensen wil Stienen een stem geven. Hier en daar beschrijft Stienen de belangrijkste recente ontwikkelingen: ‘Begin augustus 2012 neemt president Morsi een paar ingrijpende beslissingen, hij stuurt een aantal hooggeplaatste militairen met pensioen, onder meer de leider van de Hoge Militaire Raad en de minister van Defensie, Tantawi.’ Maar echte politieke analyse blijft uit. Grote vragen zoals naar de relatie met Israel worden niet diepgaand uitgewerkt, het belangrijke Suezkanaal wordt niet besproken en ook over de Egyptische economie komen we niets belangwekkends te weten.

Waar Stienen in Dromen van een Arabische lente bij het vooruitzicht op een low-budgetreis nog jubelde: ‘nu kunnen we bewijzen dat we geen verwende diplo-meisjes zijn’, lijkt ze nu meer ernst te maken. Stienens aandacht ligt onveranderlijk bij de mensen van wie ze houdt. Dat komt tot uitdrukking bij haar kritiek op de Nederlandse steun aan het internetactivisme in de Arabische wereld. Stienen vraagt dan:

‘Is Nederland nog steeds bereid deze activisten te blijven steunen met meer dan alleen mooie woorden? Zeker gezien het restrictieve migratie- en asielbeleid van de Nederlandse overheid is dat nog maar de vraag. Wellicht dat een enkeling enige tijd naar Nederland mag komen via een Shelter Cityproject. Maar mag de familie dan mee, of moet die thuisblijven? Wat als het om tientallen activisten gaat, of als er activisten in de knel komen in bevriende landen?’

Toch lijkt een ruimhartiger migratiebeleid een weinig probate maatregel voor structurele verbetering van rechten voor gewone burgers in de Arabische landen. De realiteit lijkt weerbarstiger dan dat. De schoonheid van het boek ligt dan ook opnieuw in de vele interviews met mensen met allerlei achtergronden. Hun strijdbaarheid, kritiek, frustratie en hoop.

Zij zeggen de interessante dingen, zoals Noura: ‘We zijn in Syrië en de rest van de Arabische wereld veel te veel geobsedeerd door die “ene”, met degene die macht heeft, of het nu de vader, God of de baas is.’ Of Hamid die verzucht: ‘Onze maatschappij duwt jongens net zo goed in een rolpatroon. Hij moet straks alles op zich nemen, de bruidschap, het huis, het meubilair. Want er zijn nog veel vrouwen die niet willen trouwen met iemand die dat niet doet. En zou houden we elkaar gevangen in een houdgreep van traditie, cultuur en religie.’  Door die interviews legt Stienen een interessante link met Nederlandse jongeren.

‘Hun vragen lijken op de onderwerpen die in de Arabische omwenteling centraal staan, zoals kansen op de arbeidsmarkt, het doorbreken van de gevestigde orde en het in vrijheid kiezen voor je eigen toekomst. Wellicht kunnen de oplossingen die jongeren in de Arabische wereld vinden, ook iets voor onze toekomst betekenen.’

Laten we hopen dat Het andere Arabische geluid daaraan bijdraagt.

Egypte, het kruitvat

‘Egypte zal een eigen koers varen’. Met die woorden eindigt Alexander Weissink (1971) zijn Egypte, habibies, helden en huichelaars. Het boek is zondermeer het meest analytische boek van een Nederlandse journalist in de stortvloed aan publicaties over het land. Het is ook het meest sombere.

Het Egypte van Weissink is een kruitvat. In tien hoofdstukken bespreekt hij verschillende lonten die het vat allemaal zouden kunnen doen ontploffen. Het felle nationalisme – dat zelfs
de revolutionairen haar toont doet matigen om maar vooral Egypte nooit in diskrediet te brengen, is zo’n lont. Een dergelijk nationalisme vinden we in Europa alleen in Ernst Jüngers oorlogsverheerlijking, maar zelfs daar zit meer ruimte voor nuance. Toen de 41-jarige Ayman Nour, oprichter van de Al-Ghad partij, door het regime valselijk wordt als landverrader en hem beschuldigd van valsheid in geschrifte, haalde hij ongekend fel uit naar de regering. Maar het volk vond zijn uithalen onpatriottisch, en zo eindigde de politieke carrière van Nour.

De religie is weer een andere lont. Weissink noemt Egypte het meest religieuze land ter wereld. Een karakterisering die de Egyptenaren zelf doet gloeien van trots. Maar ook de religieuze beleving van de Egyptenaar leidt volstrekt niet tot eensgezindheid en is zelfs niet vroom. Het is vooral een identiteit en als zodanig een reden om andersdenkenden zoveel als mogelijk in hun vrijheid te beperken. Tegelijkertijd moet de Moslimbroederschap enig krediet krijgen, zij waren het die opkwamen voor de allerarmsten onder Hosni Mubarak. Ze hielpen met huwelijken en voedsel. Weissink spreekt met jongeren uit de broederschap die zeer open over hun organisatie spreken en ook kritiek hebben.

Al-Ikhwaan al-Muslimiin – de Moslimbroederschap – is in 1928 opgericht door Hassan al-Banna wiens dogma luidde dat de Islam van nature moet domineren. ‘Allah is ons doel, de koran is onze grondwet, de profeet onze leider, jihad is onze weg en de dood omwille van Allah is onze hoogste ambitie’ is tot op de dag van vandaag het credo van de organisatie. Weissink interviewt een sjeik die zijn vrouwelijke tolk tot op het bot beledigd door eerst te eisen dat ze een hoofddoek draagt, niet te accepteren dat ze samen in één auto komen, en vervolgens afkeurend vraagt of ze wel besneden is. Want, vrouwen die niet besneden zijn hebben een ongebreidelde seksualiteit ‘zoals westerse vrouwen’.

Die westerse vrouwen komen we dan weer tegen in het hoofdstuk ‘huwbare meisjes’. Daarin ontmoetten we het meest onaantrekkelijke soort Nederlandse vrouwen die profiteert van de seksuele verwarring als gevolg van de Wahabistische islam die via de straatarme Egyptische arbeidsmigranten in Saoedi-Arabië voet aan de grond kreeg in het ooit zeer tolerante Egypte. Deze oudere vrouwen bekeren zich tot de islam, sluiten een min of meer wettig huwelijk (waar mannen er vier van mogen sluiten) en kunnen dan ongegeneerd hun gang gaan. Deze perverse gang van zaken wordt achter de vriendelijke glimlach van de Egyptenaar met minachting bejegend, en de mannen – die alleen uitzijn op een verblijfsvergunning – blijken de meest gruwelijke geweldsdaden tegen deze vrouwen te uiten. En het zijn er veel. Hele dorpen worden overspoeld door blanke westerse vrouwen die in dorpen weggestopt in achterkamertjes die ze niet mogen verlaten hun ondergang tegemoet gaan. Niet zelden door geweld van de echtgenoot. In een land zo arm, corrupt, religieus en gewelddadig als Egypte hoeven zij niet op bescherming van de politie te rekenen. De Nederlandse ambassade ziet het met lede ogen aan. Evenals Weissink. Weer een kruitvat.

In een erg interessant hoofdstuk over de Kopten schetst Weissink heel duidelijk de situatie van de Kopten. Nederlandse Egyptenaren zullen je vertellen dat er in Egypte geen religieuze onderdrukking is, maar daarmee praten zij slechts Mubarak na. In werkelijkheid worden er ieder jaar gruwelijke aanslagen gepleegd op de christelijke Kopten. Geen wonder dus dat de kopten Mubarak steunden in ruil voor bescherming. Deze steun zette echter ook weer kwaad bloed (bijvoorbeeld bij Alaa al-Aswani) en is dan weer koren op de molen van de moslimoppositie van Mubarak. Een moslim die Christen wil worden, wordt dan weer niet beschermd door de christenen omdat zij doodsbang zijn voor vergeldingsacties. Weissink ontmoet een tot het christendom bekeerde vrouw in doodsnood. Ambtenaren weigeren eenvoudig haar nieuwe religieuze identiteit te erkennen. Andersom kunnen christenen in een half uurtje officieel moslim worden.

Weissink ontmoet moslims die allang niet meer in God geloven, of eigenlijk Christelijk willen worden. Zij houden wijselijk hun mond.

En naast deze problemen – die een flinke portie van alle aandacht opsouperen – is er dan nog de martelende armoede. Weissink ontmoet mensen die op begraafplaatsen wonen, suikerziekte en nierziektes komen veel voor als gevolg van de slechte kwaliteit voeding. De overbevolking en milieuvervuiling van Egypte blijft bij bijna de gehele bevolking uit beeld, maar een dagje Cairo staat gelijk aan longbeschadiging als een pakje sigaretten. Reken daarbij de honger, de werkeloosheid, de martelingen, rechteloosheid, allesdoordringende corruptie, het neoliberalisme van het regime en het ontstaan van een maffiaklasse en je hebt het beeld van een ‘failed state’.

Dat het kruitvat tot ontploffing kwam in de vorm van de revolutie kon Weissink dan ook niet verbazen. In veruit het spannendste hoofdstuk beschrijft de journalist hoe hij terechtkwam in de chaos en de geweldseruptie (en de euforie) van Tahrir Square. Dat de revolutie wereldwijd wordt gezien als een spontane democratiseringsgolf is terecht. Maar wat het lot van Egypte zal zijn is zéér ongewis. Weissink vermoed dat de eerste tijd een religieus conservatisme de overhand zal krijgen. Verder geweld tegen kopten is zeer wel denkbaar. Het kruitvat moge dan ontploft zijn in januari, het kruit is nog lang niet op.

Van Nasser tot Mubarak… en terug?

Achttien dagen duurde het. Op ‘de dag van de woede’, 25 januari 2011 trokken losjes georganiseerde groepen jongeren aangevoerd door de ‘6 april beweging’ en de ‘Wij zijn allen Khaled Saïd-groep’, naar Tahrir Square. De wereld hield keek ademloos mee via Al-Jazeera, youtube, blogsites en zag dat Mubarek viel. Wat nu?

De Egyptische econoom Tarek Osman (1975) schreef met Egypte, een geschiedenis van Nasser tot Mubarak een verhelderend narratief. Met vaardige hand legt hij het politieke krachtenveld bloot achter de recente gebeurtenissen. De salafisten, islamisten en de broederschap aan de ene kant, de liberale islamieten, de christelijke Kopten, de jonge cosmopolieten zijn de uitkomst van een bewogen en complexe geschiedenis van Nasser tot Mubarak.

Nasser

Gamal Abdel Nasser (1917 – 1970) wordt in de Arabische wereld gezien als een van de grootste Arabische leiders in de geschiedenis. Op 23 juli 1952 kwam hij na een geweldloze staatsgreep aan de macht, waarbij hij de ‘playboy-koning’ Faroek afzette en de republiek uitriep. Daarmee kwam een einde aan het ‘Parijs aan de Nijl’, het op Europa gerichte Egypte en begon het seculiere Arabisch nationalisme. Nasser bracht Egypte zelfstandigheid en voerde een seculier beleid. Hij omarmde de Islam als beschavingskader, maar hield het buiten de politiek. Daarmee nam hij de Egyptische christenen voor zich in. Een ‘briljante balanceeract’, aldus Osman. De dood van sjeik Hassan al-Banna bood Nasser een buitenkans om de moslimbroederschap af te schaffen, en belangrijke leden te verbannen of op te sluiten. Het Arabisch nationalisme richtte zich op de Arabische identiteit en niet de religieuze identiteit.

Nasser kende grote triomfen, zoals de landhervorming die duizenden boeren een betere toekomst gaf. Zijn hoogtepunt was de alliantie met Syrië. Nasser was het gezicht van Arabische hoop en trots in het post-koloniale Midden-Oosten. De glorie van het Arabisch nationalisme kwam hard ten einde in de zesdaagse oorlog in 1967. Drie kwart van het Egyptische leger werd in een week vernietigd door Israel. Deze vernedering maakte een eind aan de hoop van miljoenen Arabieren.

Sadat

Na Nassers dood in 1970 was het Arabisch nationalisme al dood. Anwar Sadat (1918 – 1981) trad aan en voerde een islamistische koers. Eind jaren 70 kende een opleving van religieuziteit waar Sadat schijnbaar op inspeelde. Echter hij brak met de Sovjet-Unie om van Egypte een trouwe bondgenoot van de VS te maken en voerde Egypte weg van een centraal geleide economie naar een vrijemarktkapitalisme. De Camp-David akkoorden tussen Egypte en Israel in 1978 werden geacht ‘een tijdperk van vrede in te luiden, maar werden door miljoenen juist gezien als ‘verraad aan de miljoenen die in de Sinaï gestorven waren’ en de belichaming van een ‘nationale vernedering en schande’, schrijft Osman.

Op 6 oktober 1981 bleek het complexe spel van Sadat failliet. Hij werd op een militaire parade vermoord door leden van de Egyptische Islamitische Jihad. Zo wreekte de vernedering van de Zesdaagse Oorlog zich dus op Sadat en de stabiliteit in de regio.

Mubarak

Hosni Murabak (1928) die naast Sadat zat bij de aanslag, kwam aan de macht. De eerste jaren kende hij een zeker succes. De beschrijving van Osman, doet denken aan het optreden van iemand als Gordon Brown. Een pragmatische manager zonder charisma met weinig gevoel voor ceremonie en nauwelijks retorische begaafdheid. Osman beschrijft hoe Mubarak Egypte in het globalistische kapitalisme onderbracht. Mubarak bracht hervormingen die toch ‘nooit in de buurt kwamen van de ‘structurele hervormingen’ waarop het Internationale Monetaire Fonds (IMF) herhaaldelijk had aangedrongen.’ (190) De plannen zouden echter ongekend hard uitpakken voor de levensstandaard van de lagere inkomensgroepen. Leningen waren de enige oplossing.‘Het Egyptische regime had dringend behoefte aan financiële hulp op de korte termijn en was in 1991 gedwongen de voorschriften van de IMF te aanvaarden.’ Het resultaat was hetzelfde als in alle kapitalistische landen: ‘snijden in de sociale voorzieningen, pensioenen en essentiële subsidies’, een steeds sneller groeiende kloof tussen straatarm en schatrijk, een versmelting van macht en rijkdom, en golven van privatisering van staatsbedrijven die de onderklasse afsloot van cruciale diensten zoals elementaire gezondheidszorg en educatie.

Schokkende armoede dwong miljoenen in uitzichtloze situaties, zelfs hun organen te verkopen om in leven te blijven. ‘de armen zijn de organen van de rijken’, schrijft Osman. De econoom somt de cijfers op: 40% van de rijkdom van het land was in handen van 5% van de bevolking, 45% van het totale vermogen in de markt was in handen van minder dan 20 families. Net als in Chili, Rusland, Argentinië, en sinds 10 jaar ook de westerse landen, was repressie en dwang de enige manier om opstanden te onderdrukken. De Egyptische staatsmedia zongen lof van ‘het einde van de geschiedenis’ en loyaliteit aan het Anglo-Saksische Kapitalisme.

Geen wonder dat de moslimbroederschap enorm aan macht kon winnen in de steeds meer lagen van de bevolking die door Mubarak aan hun lot overgelaten werden. En Mubarak zelf overkwam hetzelfde als westerse leiders in de afgelopen twee decennia overkwam ‘van de man Egypte regeerde, werd hij de hoogste gezagdrager in een nieuwe machtstructuur die werd gedomineerd door enkele van Egyptes machtigste financiële instellingen.’

Toen op 29 januari dit jaar het moment aanbrak dat de overleving van Mubarak’s presidentschap afhing van de militaire bereidheid het vuur te openen op meer dan een miljoen mensen, weigerde het leger dat resoluut.

En verder…

Zo schetst Osman, de geschiedenis die leidde tot de revolutionaire gebeurtenissen van 2011. Opvallend is dat hij blind is voor de parallel met de jongerenopstand in Portugal, Griekenland en Spanje, en de occupy-beweging die momenteel in 1500 steden over de hele wereld protesteert tegen de banken. Hoewel het hoofdstuk over Mubarak de voormalige dictator beschrijft als een keiharde kapitalist ziet Osman geen moment de bredere betekenis van de gebeurtenissen in zijn land.

Sterker, in de laatste hoofdstukken is Osman het spoor volledig kwijt. Zijn conclusie is een staaltje analytische verwarring die we dagelijks in de gevestigde media kunnen  zien. Hoewel hij in hoofdstuk 7, de wanhoop van de jongeren goed vervat (hij ziet zelfs de generatiekloof die ook hier te lande langzaam door analytici wordt waargenomen) lijkt hij geen moment het revolutionaire elan aan te voelen. De in Engeland werkende econoom blijft zelf een brave gelovige van de meest ontwrichtende ideologie sinds fascisme en communisme. Doodleuk wijst hij als doorslaggevende factor achter de revolutie de ‘economische zelfstandigheid’ van jongeren aan. Pardon? Schreef hij net niet dat sommigen hun organen verkopen om te overleven? Wie zijn die zelfstandigen dan, als dat niet de kinderen van Mubaraks kapitalistenklasse zijn?

‘Voor de toekomst van Egypt is het nu een van de belangrijkste vragen hoe de private sector en de vertegenwoordigers daarvan hun economische macht zullen omzetten in politieke macht’, schrijft Osman, alsof het mogelijk is om een bedrijf binnen te lopen en daar aan de balie te vertellen dat je – en miljoenen met jou – werkeloos bent. Dat een alleszins ontwikkelt mens, niet lijkt te beseffen dat alleen de publieke zaak, een politieke zaak is, verbaasd. Private bedrijven hebben geen politieke verantwoordelijkheid (anders zouden ze niet privaat zijn) en verdedigen zich ook altijd met dat argument.

Als voorbeeld van ‘hoop’ noemt Osman ‘een dertigtal jonge Egyptenaren die uit New York en Londen naar hun land zijn teruggekeerd’ en ‘nieuwe investeringsfondsen lanceerden die zich uitsluitend richten op de achtergebleven gebieden in al-Saeed’. Denkt Osman echt dat deze jonge in de financiële wereldhoofdsteden New York en London opgeleide kapitalisten het falen van het kapitalisme gaan repareren? Met hetzelfde gemak spreekt hij over de economisch onafhankelijke middenklasse (p250), terwijl hij een bladzijde eerder nog schreef dat ‘50% van hen [jongeren] nog steeds geen toegang heeft tot moderne scholen en ziekenhuizen, laat staan een pc.’

Osman, die schrijft voor verscheidene neoliberale kranten als The Financial Times, The Independant, The Guardian slaat in zijn conclusie de plank volledig mis. Met behulp van en zelfverzonnen onderscheid tussen ‘kapitalisme’ en ‘een verwrongen vorm van kapitalisme’ probeert hij een ruimte te creëren voor een kapitalistisch alternatief. Maar de argumenten bijten zichzelf keer op keer in de staart. Hoewel de ‘financiële onafhankelijke middenklasse’, die een hoofdstuk eerder nog niet bestond het helemaal gaat maken, zullen ‘de sectoren die hooggekwalificeerde vaardigheden vereisen klein blijven, met een sterk geconcentreerd eigenaarschap en slechts beperkte overloopeffecten.’ Op de ene pagina (244) is de jeugd niet maatschappelijk betrokken, en op de andere pagina in opkomst. Op de ene pagina zijn zij verwesterd terwijl op de andere ‘de islamisten steeds meer weerklank vinden in brede lagen van de bevolking’ (262). Enerzijds is Egypte volkomen maatschappelijk ontwricht en vatbaar voor salafisten en islamisten door jarenlang kapitalisme en anderzijds haalt de econoom doodleuk Adam Smith’s onzichtbare hand aan: ‘Adam Smith’s onzichtbare hand trok in het eerste decennium van de eenentwintigste eeuw aan de touwtjes en stimuleerde creativiteit, vernunft en vindingrijkheid.’

Hier zit dus een ideologische blinde vlek bij de sterjournalist. Osman deed een poging maar bewijst in de laatste hoofdstukken conceptueel niet in staat om te begrijpen wat er wereldwijd gaande is. Geschiedenis wordt op dit moment geschreven en het is aan iedereen die wil om haar te doorgronden.

Tahrir Square, Everywhere!

Tahrir Square Everywhere!

Milton Friedman, neem hem nu maar zijn nobelprijs van de economie af. Het is een sekte, een leugen die niet bestand is tegen de wereld.’

Lieven de Cauter sprak bij Casa Luna over de Occupy beweging die deze week in navolging van de opstand in Egypte wereldwijd doorbrak. Tien jaar was hij boos en  tien jaar pessimist, toch klonk het jubelend: Tahrir Square Everywhere!!!

Luister hier de uitzending.

http://www.radio1.nl/contents/39412-filosoof-lieven-de-cauter-is-al-tien-j-r-woedend


Van Ayn Rand, via Alan Greenspan tot de kredietcrisis is het een utopie. Human Resource, alleen de term zou alle alarmbellen moeten doen afgaan. Management lijkt politiek neutraal, maar dat is het niet. We zijn allemaal deel van het kapitalisme. Het neoliberalisme zit ons tot in de poriën.

Maar het is een utopie en ik kan een zesjarige uitleggen dat de 1% de 99% beroofd. Op Wallstreet, bij de banken zitten de rovers en ze roven al dertig jaar. Iedereen kan het nu zien. Het is evenwel een wereldwijde utopie.

Dat via sociale netwerksites, losjes georganiseerd op facebook en dergelijke het mogelijk is om in Brussel, Berlijn, Madrid, New York, Amsterdam, Den Haag, en Rome, is een voorbeeld van een geheel nieuw soort van intelligentie. Zwermintelligentie. Waar vanaf Plato alle politieke theorieën de menigte zagen als een ongestructureerde kracht die beteugeld en geleid moest worden. En nu blijkt dat er een intelligentie bestaat in een genetwerkte menigte die zichzelf organiseert. Op Tahrir Square organiseerde de menigte drie hospitalen, oude vrouwtjes kwamen eten uitdelen, de Christelijke activist George Ishak (zie beeld hieronder) trad op als leider van de burgerlijke oppositiegroepen genoemd: Kefaya (Genoeg!), waarbij zelfs vooraanstaande islamist Abdelwahab al-Meisseiry zich aansloot. Kopten en moslims organiseerde hun gebedstijden zodat zij elkaar konden beschermen als de politie aan zou vallen. Op het laatst stonden er aldus de Cauter 3 miljoen mensen op straat, 3x Brussel!

Tahrir Square Cairo is het ankerpunt volgens de Cauter. Tahrir Square is de uitkomst van 9/11. Dit is waar de clash of civilization eindigt; waar Project for a New American Century, het intellectuele program van de Bush administratie dat werelddominantie ambieerde, eindigt. In 2011 was het Kefaya en dat stemt ons hoopvol.  ‘Hoop komt nu echt uit de Arabische wereld’.  Daarom zegt de Cauter nu al maanden: Tahrir Square Everywhere!

 

Als was Egypte een kippenboerderij

Egypte is een verschrikkelijke dictatuur. Maar, het is wel het land van Alaa al Aswani, en hij is oud genoeg om zich de gloriedagen van het Arabisch Nationalisme van Gamal Abdel Nasser te herinneren die zich teweer stelde tegen het opportunistische beleid van de Verenigde Staten, het Suez kanaal opnieuw in Egyptische handen bracht en een seculier beleid voerde. Egyptische vrouwen lagen in Bikini op het strand en de was religie tolerant.

In zeer heldere, bijna banaal-redelijke columns onderzoekt de Egyptische tandarts Aswani, zijn tijd. Daarbij is hij vóór vrouwenrechten en tégen de gezichtsbedekkende kleding voor vrouwen (een voortvloeisel van een ”achterlijke Wahabitische islamopvatting uit het steenrijke Saoedi-Arabië’), vóór Islam, maar tegen Islamisten, vóór de vruchten van de westerse beschaving maar tegen westers buitenlands beleid in de Arabische regio. Hij leest als een lange opluchting. Nergens neemt hij een blad voor de mond (behalve misschien als hij Hosni Moebarak doorlopend een goede gezondheid toewenst), en steeds is de laatste zin van zijn columns: democratie is het antwoord.

Al Sawani’s stijl doet denken aan Theodore Dalrymple, beheerst en beschaafd, maar zijn conclusies zijn diametraal tegenovergesteld. Waar Dalrymple altijd ‘het volk’ aanwijst, daar ziet Al Sawani steeds de regeringen van die volkeren als schuldige. Daarom verdedigd hij de westerse cultuur, maar beschimpt hij de dubbele moraal van westerse politici. Iedereen die het verdiend krijgt ervan langs. Moebarrak die zijn land wilde overerven aan zijn zoon ‘als was Egypte een kippenboerderij’, Iran met haar ‘ten hemel schreiende’ mensenrechtenschendingen, de Saoedische Sjeiks die op de staatstelevisie een conservatieve moraal prediken maar nooit kritiek hebben op de mensenrechtenschendingen in Egypte.

Het Zwitserse verbod op minaretten, Sarkozy’s Islambeleid wijst hij af, maar hij heeft begrip voor de moeilijkheden die westerse landen hebben met Wahabistische tendensen in hun land. Hij deelt de zorg! Keer op keer legt Aswani de vinger op de zere plek. Obama’s speech in Egypte bij zijn aantreden waarin hij oproep tot een nieuw begin met de islamitische wereld was een leuke poging, maar waarom ondersteunt hij dan een dictatoriaal regime als Egypte dat miljoenen in armoede bracht en vele duizenden mensen martelden in de gevangenis? Hebben die geen recht op democratie?

Opvallend is zijn aandacht voor de positie van de vrouw. Fel verdedigd hij de vrouwen tegen de vele schofterigheden van Egyptische mannen tot aan groepen jonge mannen die zich overgeven aan verkrachtingen midden op straat. Hij verdedigd hier echter evenzeer het Egyptische volk en wijst het Saoedische Wahabisme (dat vrij spel heeft op de staatstelevisie) en de regering die zijn volk dom en arm houdt, aan als verantwoordelijke.

Zelfs zijn landgenoot en collegaschrijver Gaber Asfoer krijgt een veeg. Asfoer was niet te belabberd om de ‘Khadaffi literaire prijs’ (t.w.v. 150.000 dollar) in ontvangst te nemen uit handen van Khadaffi zelf. Nee, neem dan een voorbeeld aan de Spaanse schrijver Juan Goytisolo, die de prijs weigerde ‘om de simpele reden dat ze ingaat tegen de principes waarin ik geloof.’ Een soortgelijke bewondering van steevast de liberale Mohammed el-Baradei ten deel. In de aanloop naar de Irak-oorlog was el-Baradei (hoofd van het Internationaal Atoomenergie Agentschap (IAEA)), niet te beroerd om een rapport op te stellen waaruit bleek dat er geen kernwapens in Irak waren en later waagde hij het om Amerika te vragen waar de tonnen aan wapens uit de depots waren gebleven. el-Baradei balanceert tussen het leger en de moslimbroederschap, en lijkt de ideale kandidaat om van Egypte een democratie te maken.

De moraal van het verhaal is een aanrader voor iedereen: westerlingen en westerse moslims, moslimbroeders en Egyptische jongeren: ‘Vrijheden zijn onscheidbaar… vrijheid krijgt alleen maar zijn waarde in de context van het verdedigen van andere rechten, de vrijheid en waardigheid van het volk.’

Democratie is de oplossing.

Een warm portret in tertiaire kleuren

Dromen van een Arabische lente van diplomate Petra Stienen, geeft niet wat de titel beloofd. Of zijn ze ingehaald door de werkelijkheid? Echter, de dromen van Stienen, schetsen het beeld van een Egypte dat snakt naar vernieuwing; de vormen die deze dromen zullen krijgen worden nu geschreven.

Het verhaal van Petra Stienen begint als jonge diplomaat in Egypte. Stienen, die Arabisch studeerde heeft een uniek voordeel op haar doorgewinterde collega’s: direct contact met het Egyptische volk. Het beeld dat zij schetst van de diplomatieke wereld is doet soms wat wereldvreemd aan. Jonge hippe hoogopgeleide juppen die zich moeiteloos een weg banen door een Noord-Afrikaanse metropool, zonder ooit notie te nemen van de realiteit van de lokale bevolking. Stienen moet wennen aan de vormelijkheid en hiërarchie, maar lijkt hierin al snel haar draai te vinden. Toch blijft er een verschil.

Stienens temperament brengt haar in contact met progressieve Egyptenaren. Kunstenaars, journalisten, schrijvers, feministen geven haar een uniek inkijkje in (wat zij noemt) het ‘echte’ Egypte. Het Egypte dat de gemiddelde toerist nooit zal zien. Bijzonder leerzaam zijn de beschrijvingen waarin zij lezingen bezoekt, waarvan de titel – voor het geoefende oog – vuurwerk beloven, maar die bij bezoek tegenvallen. Waar de niet-ingeleide westersling teleurgesteld zou afhaken, blijkt steevast een addertje onder het gras. Vaak wordt ze aangesproken door een bekende, die haar vertelt dat de geheime politie in de zaal een openlijk spreken verhinderd.

Dat zijn de addertjes die Stienen doorziet, waardoor ze veel dichter op de politieke realiteit van Egypte komt dan menig collega. Aangrijpend is vooral de scene waarin Stienen beschrijft hoe zij en Farah Karimi, destijds kamerlid van Groenlinks, kortstondig het vertrouwen winnen van Ramadan Shallah leider van Islamic Jihad winnen. ‘Natuurlijk zijn we onder bepaalde voorwaarden bereid Israel te erkennen en de oproep tot vernietiging af te zweren.’ (p297) Onderweg naar huis realizeren Karimi en Stienen zich het immense politieke belang van deze opening tot dialoog. Stienen meent dat de Iraanse achtergrond van het Nederlandse kamerlid vertrouwen wekte. De lezer realiseert zich onmiddellijk hoeveel goud wij in handen hebben met onze tolerante samenleving. Dezelfde tolerante samenleving die nu zo onder druk staat.

Meermaals moet Stienen laveren tussen politieke representatie en acute kansen in het veld. Ze schetst een warm beeld van de kleurrijke Egyptenaren die ze ontmoet, maar is ook fair over de vele problemen en hun oorzaken in Egypte. Het is geen droombeeld van duizend en één nacht dat ze schat. Het is zijn niet louter heldere kleuren, het een droom in tertiaire kleuren, maar een droom waar Nederland bij betrokken moet zijn. De Arabische lente is nu aan de gang. Stienen zal er niet meer bij zijn, maar ze leert haar lezers stilstaan bij de complexe en interessante ontwikkelingen in de Arabische wereld.

Citaat van de week

Als we ons realiseren dat onrecht het vasten ongeldig maakt en dat het terugwinnen van onze opgeslokte rechten belangrijker is dan duizend buigingen die we tijdens speciale ramadangebeden verrichten, pas dan zullen we het ware begrip van de islam bereiken. Ware islam is democratie.

Democratie is de oplossing.

Alaa Al Aswani, Over Egypte, p234