Stommeling, die ik ben. (Parva que Sou)

In mei 2011 in Portugal gaan jonge mensen de straat op. Een spontane beweging begonnen op sociale netwerk sites ontstaat op de pleinen en straten. De eerste dag gaat het om tientallen, en die ‘tweeten’ honderden en uiteindelijk zijn 300.000 jongeren op de straten in Portugal. Wat zij delen is louter een lot. Het lot van van de generatie van ‘niets te verliezen’. Deze jongeren worden niet vertegenwoordigd in hun parlement.

De vergadering in de publieke ruimte wordt een spontane beweging genaamd: Geração à Rasca, de wanhopige generatie, universitair afgestudeerden tussen 21 en 34 wanhopig om hun carrière te starten, een vast inkomen te genereren en het ouderlijk huis te kunnen verlaten. ‘Het enige werk dat we kunnen krijgen is ‘werkervaring’, de enige toekomst is emigratie’, aldus Inês Gregório (29) in New York Times.

Wat gebeurt er op de pleinen in Portugal? Er wordt gesproken! Gesproken zoals in het oude Griekenland, de mensen naar de marktpleinen gingen om ‘te zien wat er gezegd wordt’. Wie heeft het vermogen om te zien, en wie het talent om te spreken? (Jacques Ranciere,  Aesthetics and it’s discontents, p24), daar gaat het om.

Wat deze mensen zeggen heeft een emancipatiore lading, zoals de jongeren in Egypte voelde, en de jongeren in Spanje, de jongeren in Iran, Griekenland en Libië toen zij opstonden, of hun beweging nu werd neergeslagen of niet, één moment hebben zij beleefd, waarin woorden gezocht werden voor dat waarvoor nog geen woorden bestaan. Grote monden schreeuwen, intelligente geesten duiden van de middag tot diep in de nacht. Mogen we dit een politieke ervaring noemen? Of is het een filosofische ervaring?

In de avond treed Deolinda op voor de Geração à Rasca. En daar – op meer dan één manier analoog aan het Griekse theater dat Plato zo verafschuwde, omdat ‘leugenaars en nietsnutten zich daar uitten zonder verstand’ – zong zij een lied, dat de gevoelens van een generatie uitdrukte. Parva que Sou (Stommeling die ik ben), drukt alles uit: de wanhoop, de onschuld, de onderworpenheid en onmacht, het verzet, de woede en de verontwaardiging.

Hier ligt de politieke relevantie van kunst. Hij die voelt en uitdrukking geeft aan dat wat nog geen woord heeft. Aan dat wat onzichtbaar en ongezegd blijft, maar zich evenwel aandringt. Jacques Ranciere bedoelt dit, wanneer hij het esthetische aan het gemeenschappelijke koppelt. Iedere gemeenschap kent een verdeling (distributie) van (machts)positities, waarin iedereen zijn rol krijgt toebedeeld. En zij die geen deel hebben aan het gesprek, hun woorden worden niet gehoord en niet begrepen. Hun boodschap is de belachelijke opvatting van een enkeling, de grillen van onvolwassen jongeren, of wordt gelabeld met de naam van een criminele activiteit.  Zij heten terrorist, extreem links of rechts, of wat dan ook. Iedere emancipatie, leert Ranciere, begint met een manifestatie. En die manifestatie kent zowel een argumentatief deel, als een visueel deel. Zonder zichtbaarheid, geen zegbaarheid.

Intellectuelen kunnen verzamelen en duiden, maar zonder esthetica, geen mancipatie. En daarom is de kunstenaar zo gevaarlijk voor Plato, wiens ‘mythe van de drie metalen’, de mensheid onderverdeeld in de koperen (werklui), de zilveren (soldaten), en de gouden, zij die denken en begrijpen (de filosofen) en dus moeten heersen. Ranciere’s aanval op Plato, is niets anders dan de strijd tussen een metafysicus (Plato) en een politieke filosoof, die de politieke realiteit van Plato’s denken achterhaalt en aldus de grote Griekse denker conceptueel achterhaalt als een een politiek conservatief. Plato’s metafysica, ontmaskert als angst, zelfs haat, tegen democratie. Tegen mensen die de straat op gaan en weten dat zij zich moeten uitspreken, omdat zij niet vertegenwoordigd worden.

Parva que Sou werd hét lied van de Geração à Rasca. Met de allersimpelste woorden (‘hoe gelukkig ben ik, dat ik al een stage heb weten te bemachtigen’, ‘om slaaf te worden, moet je eerst studeren’, stommeling die ik ben…) en simpele instrumenten, vanuit de diepste treurnis, die de Portugese geest zichzelf niet ontzegd middels de Fado, drukt zij uit wat iedereen voelt. Is dit de uitdrukking van een dom en zwak volk? Of moeten wij jaloers zijn op de saamhorigheid die deze wanhopige generatie dankzij Deolinda heeft gevonden? Zijn wij nog in afwachting van het moment dat wij opstaan en onze stem laten horen?

Kunst

Alleen kunst kan een expressie vinden, die zowel de kwetsbaarheid als de woede, zowel de wanhoop als de verontwaardiging in zich kan dragen. De gewone man kan leren verdragen wat hij niet kan veranderen. En wat hij wel kan veranderen kan hij met geweld, boosheid en woede bestrijden, maar alleen de kunst kan verontwaardigd zijn tot het bot, en strijden met kwetsbaarheid. Maar daarin toont zij haar kracht. De kracht, dat de grootste emoties, vertolkt worden in de kleinste gebaren, de grootste woorden gefluisterd….

Dit – wat hier gezegd/getoond/gezongen wordt, is een expressie van een sensibiliteit, die niet te begrijpen is oude termen als feminisme, gender, groen kapitalisme.. forget it. Hiervoor zijn de woorden nog vers en in ontwikkeling.

En de Portugezen weten het getuige hun slogan: Wij gaan langzaam, want wij hebben een lange weg te gaan.