Ik creëer je in de armen van een ander

Voordracht voor LowSofie; So you Think! Filosofische talentenjacht in Trouw de Verdieping, Amsterdam 25 juli.

Lieve Sofie,

Ik heb je lief Sofie, filosofie! Liefde voor de waarheid. In iedere taal noem je de hartstocht waar ik je vanavond over vertel: liefde-voor-de-waarheid. Filo-Sofie. Behalve in het Nederlands. Wij begeren je! En niet als waarheid, maar als wijsheid. Wijsbegeerte! Als dat geen VOC-mentaliteit is. Wij plakken geen grappige post-its, op je koelkast als je ’s ochtends nog ligt te slapen. Wij begeren je de hele nacht.

Dat klinkt Grieks eigenlijk he? Griekser dan de Grieken.

Maar Sofie, daarover vertel ik je later. Ik moet eerlijk zijn, tegen jou, in je hoedanigheid als waarheid. De waarheid is dat ik vreemdga. ’t Waar Sofie. Ik ben vreemdgegaan. Ik heb op andere meiden gelegen. Heel veel andere meiden. Het is al een tijdje zo. Een paar jaar. Een jaar of acht. En ik kan niet beloven dat ik niet opnieuw de mist inga. Trouwens, je hebt het er zelf naar gemaakt, je kunt niet boos op me zijn…je bent niet bepaald goed bereikbaar de laatste tijd.

Daarbij: Steeds als ik met andere meiden slaap, dan denk ik dat jij het bent met wie ik vrij. Dat moet je geloven.

Hoezo hoef je dat niet te geloven?

Och ja, ik weet het alweer: jij hoeft niets te geloven. Ik moet geloven in jou!

Maareh.. Sofie, ik ben bepaald niet de eerste die je belazert. Hebben niet al jouw minnaars je een keer belazerd?

Dachten in de duizendjarige Europese middeleeuwen niet alle filosofen dat je God was? We kunnen van Meneer Leibniz toch niet zeggen dat hij niet van je hield? Hij noemde jou: het beste van alle mogelijke werelden, nee, hij vond dát jouw bestaan er de oorzaak van was dat wij leven in dé beste van alle mogelijke werelden. Dát is een liefdesverklaring! En bepaald geen kalverliefde of wel?

Maar je bleef God.

Pas bij Spinoza, die jou gelijk stelt met alles wat er is, en aldus het pantheïsme van nieuwe intellectuele betekenis voorzag, pas toen werd het mogelijk te denken dat je misschien géén God was. Maar nog iets veel groters. En mooiers. En nabijer ook.

Er is van jou gehouden Sofie, en je mag écht niet boos op me zijn dat ik soms vreemdga.

Echt! Ik ben erg vaak vreemd gegaan maar dat ligt niet aan mij, het ligt aan jou. Echt. Ik ben je trouw geweest terwijl je niet bepaald bekend bent. Je komt niet op tv ofzo. Trouwens: Als ik je bel neem je niet op en je hebt geen vaste woon of verblijfplaats. Is het dan zo gek dat ik soms even een momentje van zwakte heb?

Ik kan je nooit vinden!

Maar ik zoek wel.

Pas Meneer Nietzsche wist zo zeker dat jij God niet bent, dat hij zei dat God niet bestaat. Maar Nietzsche heeft je pas écht verlaten! Die heeft zijn leven lang getreurd omdat hij had gezegd dat God niet bestond. (juist omdat hij vond dat hij er gelijk in had). En dat noemt zich optimist!

In de biografie van Meneer Nietzsche las ik dat zijn huishoudster eens door het sleutelgat keek en de oude Nietzsche naakt door zijn studeerkamer danste.

Nou, die heeft je verlaten.

Hij had een nieuwe liefde: Dans! Het schijnt me nogal een voorstelling geweest te zijn. Dat oude lijf, die snor, dat lichaam dat 43 jaar voorovergebogen achter een studeertafel gezeten heeft. Is niet sexy Sofie

Maar, Sofie, het zou wel mooi zijn als je tenminste iets van deze relatie geleerd had! Dat je bijvoorbeeld niet ZO lang niets van je kunt laten horen. Das toch geen relatie?

Wij hebben wel iets van meneer Nietzsche geleerd namelijk! Na meneer Nietzsche geloven we niet meer dat God een vader is die van op een wolk naar ons zit te kijken. Als je al gelovig bent, dan is dat op abstractere wijze dan dat. Daar hou je toch zo van? Wij zoeken je in de abstractie.

Enfin Sofie. Ik ben vreemdgegaan, maar ik wil alleen maar zeggen dat ik je wel de hele tijd trouw blijf, ook al ben je niet bepaald goed bereikbaar.

Ik kan je alleen zoeken en je ligt ook niet bepaald op straat.

Nouja! Ik zoek je daar wel, en soms kom ik iemand tegen die je kent. (maar die kent dan Ad Verbrugge van de tv.). Maar ik zoek jou. En ik kijk wel! Ik kijk overal voor jou.

Nee, al wat ik kan doen is de brieven lezen die andere aan je schreven. Ik las Dé Staat van Plato. Maar ook Wittgenstein, Popper en Derrida. En ook nog wel heel wat obscuurder aanbidders: Machiavelli uit Florance, Emil Cioran uit Roemenie, Baltasar Gracián uit Toledo en Joseph de Maistre uit het onwaarschijnlijk: Sardinië.

Ja, ik hou wel van dat soort vreemde vogels.

            Er is van jou gehouden Sofie, en je mag niet boos op me zijn dat ik soms vreemdga. Alleen omdat ik je soms zoek op de verkeerde plaatsen.

Nee, het is niet bepaald gemakkelijk om je te vinden. Er is geen paleis voor je gebouwd en er is geen politieke partij voor je opgericht. Of nouja, Meneer Marx heeft dat toch geprobeerd?

En…? heeft hij je gevonden in het einde van de geschiedenis?

Nee, Maar Meneer Marx is bepaald lief voor je geweest.

Het was erg aardig toen hij je de laatste beslissende wending in de geschiedenis noemde. En toen hij schreef dat je een spook was dat door Europa waart, was dat écht niet omdat hij jou lelijk vond. Het was alleen maar om de kapitalisten bang te maken.

En jij zou dan in de gedaante van de arbeidersklasse opstaan en een laatste trucje vertonen. Dat was alles wat hij vroeg. En dan zou er een utopie ontstaan. Een ideale wereld waarin er geen arbeider meer is en geen bankier. We zouden allemaal ‘s ochtends te jagen, ‘s middags te vissen, ‘s avonds veeteelt te bedrijven en na het eten de kritiek te beoefenen, al naar gelang we zouden verkiezen, zonder ooit jager, visser, herder of criticus te worden.

Nee, meneer Marx is bepaald charmant tegen je geweest.

Maar… je bleek je niet te verwaardigen? Toch? Of ga je straks in de vorm van de mondiale kredietcrisis toch nog tonen, dat Marx al die tijd gelijk had. Dat we bankiers evenmin over onze levens willen laten beslissen, als dat we arbeider willen zijn in de poppenkast van het grootkapitaal?

Eigenlijk weet ik niet met wie jij het allemaal doet Sofie!

En trouwens! Ik wil het ook niet weten.

Het kan me eigenlijk ook helemaal niet schelen.

Trouwens, hoezo zou je nou boos zijn als ik je soms in het bed van de religie, muziek of de kunst zoek? Wat wil je dan?

Een monogaam huwelijk? Dat we elkaar eeuwige trouw bezweren en dan samen gelukkig zijn. Na ons de zondvloed? En dan samen een hypotheek nemen, in een Vinexwijk gaan wonen, een baan zoeken, en dan een leven lang kromliggen en dan zeggen dat we gelukkig zijn? (Wat moet er van onze kinderen komen?)

Trouwen! Ik ben toch geen fundamentalist? Dat hebben we het afgelopen decennium toch gezien. Aan de ene kant de moslims, die Nietzsche nog niet gelezen hebben, en geen verlichting hebben doorgemaakt. Die hebben maar één boek! Bedwelmd door het idee dat ze je al gevonden hebben.

En wij dan aan de andere kant: volkomen transparant, fris gewassen en rationeel, wetenschappelijk en pragmatisch en volstrekt niet verantwoordelijk voor milieucrisissen, voedselcrisissen, werkeloosheidscrisis, financiële crisis.

En wij dan zeggen: List van de rede!

Had Hegel bedacht! Die andere minnaar van je.

Slim… dat je dan kunt zeggen; ‘het klopt niet… maar dat is niet mijn schuld. ’t Was de rede… die heeft soms listen.’

Nee, dat was niet mooi toch Sofie? Het afgelopen decennium. Met al die haat en nijd over en weer. En die burgerrechten die we verloren zijn enzo. Dat heeft toch niemand gewild?

BP die de oceanen vervuild voor de Amerikaanse kust, zonder dat er publieke rechtzaken op volgen… Nee, Sofie, dat GELOOF je toch niet?

Niemand zal geloven Sofie, dat dát jouw werk is. Nee, het was niet de liefde voor de waarheid die het afgelopen decennium heerste in de ‘war on terror’. Nee, dat zal ook écht niet in de geschiedenisboeken komen als een periode waar we trots op kunnen zijn.

Nee.

Nee, maar toch geloven we nog wel in onszelf Sofie. We hebben nog steeds onze beschaving en we houden een beetje van onze vergissingen. En aan jou denken we vaak niet. Ik zei net: er is geen politieke partij voor je opgericht. Maar er zijn wel pogingen gedaan om jou de politiek in te krijgen. En niet de minste he?

Ergens moeten we kiezen. Want terwijl jij daar ijdel zit te wachten draait de wereld door. Wij moeten beslissen. Wat eten we vanavond? Welke baan zal ik nemen? Zullen we soldaten naar Uruzgan sturen? Zullen we nog eens iets privatiseren?

Je bent vaak genoeg uitgenodigd aan tafel om te helpen beslissen. Je bent wel welkom he? Sofie? Wij houden van je!

Ik in ieder geval.

Vaak kijk ik naar je Sofie. Ik kijk naar je als ik praat met filosofievrienden in de kroeg. Ik kijk naar je als ik college geef. Ik kijk dan écht wel naar je. En ik vind je nog net zo mooi als toen ik je net leerde kennen. Je weet dat mijn eerste filosofieboek Machiavelli was toch? Die was door 2Pac destijds bekend geworden. Weet je dat nog? Ja, dat was zo. En ik ging Machiavelli écht kopen en écht lezen. Eerst de Heerser. En daarna de Discorsi. 500 pagina’s van een oude Italiaanse lover van je. En toen ben ik filosofie gaan studeren. Dat kon toen nog… zonder studiebindend advies en langstudeerboete 😉

Ah… had ik ook niet nodig hoor. Ik was netjes in vijf jaar klaar. Met die universiteit dan he? Met jou nog niet. Ik heb daarna ook avond aan avond naar je zitten kijken. Wat ik zag vond ik nog steeds leuk. Weergaloos mooi. Je bent de mooiste Sofie. Echt waar. De mooiste die ik ooit gezien heb.

Maareh…

Ik denk écht serieus soms aan die Vinexwoning, en die hypotheek. En ik zou ook best willen trouwen enzo. Uiteindelijk moet ik toch een keertje… tja! Ik moet kiezen.

Nouja…

En daar gaat het dan soms mis. Met die andere vrouwen.

Maar punt blijft, lieve Sofie.

Filosofie… is een werkwoord! Dus als ik soms in de armen van een of andere schone deerne: aan het werk ben… ja, dan moet je niet boos worden.

Vind ik.

Ja, ik lig ik op een ander. Ja!

Ja! En daar ben ik zelfs serieus mee. Ja, ik zal het maar eerlijk zeggen. Ik vind het nog lekker ook.

Kijk, zoals ik het zie Sofie…

Ben jij heel veel dingen.

Je bent een vrouw. Althans… dat zei meneer Derrida: de waarheid is een vrouw. Hij zei dat in het boek Sporen. Want hij dacht dat hij jou nooit zou vinden, maar hij meende dat je tenminste op het spoor was.

Soms heb ik gedacht dat je een Arabische vrouw bent. Want je versluierd je. Steeds als je meneer Derrida een sluier toewierp, bleek er een nieuwe sluier achter schuil te gaan. Als een eindeloze striptease, zonder ooit een stukje huid. Maar meneer Derrida, bleef goed naar je kijken. En hij zag dat je steeds abstracter werd. Jij verbergt je achter abstracties. Alleen kinderen geloven in sinterklaas. Wij geloven in jou juist omdat je je verbergt in abstracties.

Meneer Kierkegaard, je Deense aanbidder, hield ook van je. Die ondeugende eroticus ging zichzelf versluieren. Steeds schreef hij een boek onder een ander pseudoniem. Hij benaderde je van verschillende kanten zonder ooit te zeggen dat hij één ding op het spoor was. En uiteindelijk zei meneer Kierkegaard dat je niet in de rationele analyse te vinden bent. Je moet een sprong maken, voorbij de rede. Het is een daad van geloof! En dán vinden we jou.

Ik weet het niet hoor Sofie. Is het werkelijk OF/OF? Alles of Niets? IS het werkelijk een kwestie van kiezen?

Ik vond Gilles Deleuze een leuke minnaar. Volgens hem gaat het niet om kiezen en niet om kijken. Waar het om gaat is maken! En doen! Hij ziet jou niet als een vrouw, maar als een beweging. Een beweging waar je in kunt stappen. Je moet tegelijkertijd meebewegen en sturen. En dat is alles wat we doen kunnen. Ieder zijn eigen Sofie. Multisofie. Filosofie van de multitude. Of nee… een omhelzing waarin je tegelijkertijd in elkaar doordringt als doordringen wordt. Deleuze geloofde niet dat je een vrouw was, hij wilde ‘vrouw-worden’ (becoming woman). Het was creatie. Voorplanting! Pure voorplanting.

Zo zie ik het ook een beetje Sofie.

O lieverd. Ik durf je niet eens te zeggen met wat voor gedrochten ik het bed gedeeld heb. Op zoek als ik was naar de waarheid!

Lieve Sofie, ik hou van je, en ik zoek je, ik kijk naar je, en ik kies voor je.
En ik creëer je in de armen van een ander.

Deleuze Reframed

 

Stel je bent in een collegezaal, maar je hebt geen idee wat een collegezaal is. Wat wéét je dan van de situatie waarin je bent? Er staan rijen stoelen, er is een spreker. Er is een microfoon, een projector en een projectiescherm. Al deze dingen staan in een welbepaald patroon, de stoelen zijn gericht op één punt (de spreker), het projectiescherm op de stoelen. En door deze samenhang krijgen alle elementen in de ruimte een zin en een betekenis.En wat nu, schrijven Damian Sutton en David Martin-Jones in Deleuze Reframed, zou er gebeuren als je alle objecten in de ruimte zou weghalen? Zou je iets overhouden? Door leonhard de paepe.

Met dit soort gedachtenexperimenten illustreren de beide auteurs complexe concepten uit het werk van Gilles Deleuze, en dat werkt waanzinnig inspirerend. Op de vraag of je iets overhoudt antwoorden zij:

‘Yes, since there would be forces and energies that remain, that never go away: “Pure relations of speed and slowness between particles imply movements of deterritorialisation, just as pure effects imply an enterprise of desubjectification.” This is the plane of consistency.’

Zo krijgen we de mogelijkheid om ons iets voor te stellen bij het ongelooflijk complexe concept ‘plan de consistance’. Het is een term om de ‘weerstand’ te beschrijven die iedere ruimte altijd in zich draagt. Volgens Deleuze bestaat er niet zoiets als volmaakte frictieloosheid (of tabula rasa). Al wat je kunt doen is werken met bestaande vormen, deze doordenken en ontginnen en omvormen naar je wens, in de wetenschap dat iedere handeling altijd onverwachte nieuwe mogelijkheden en onmogelijkheden oplevert.

Sutton en Martin-Jones schrijven in de inleiding dat hun studie ‘in’ Deleuze altijd opwindend én frustrerend was. Maar waar de meeste inleidingen in het denken van Deleuze vooral de irritatie en niet de opwinding communiceren, daar blinkt Deleuze Reframed uit door een keur aan toepassingsmogelijkheden voor Deleuziaans denken te tonen. Met schijnbaar groot gemak koppelen de auteurs de concepten (Rhizome, plan de consistance, becoming-woman, minor cinema, virtualiteit en movement-image/time-image) aan allerhande hedendaagse culturele verschijnselen.

Nadat zij Rhizoom hebben uitgelegd aan de hand van de gevechtstechnieken van de Vietcong in de Vietnamoorlog, blijkt Pac-man een dankbaar voorbeeld om deterritoralisatie en reterritorialisatie uit te leggen. Pac-Man wordt vergeleken met een kolonialist die de vruchtbare ruimte kaalvreet (deterritoralisatie), zich onderwijl aanpast aan de oorspronkelijke bevolking (reterritorialisatie) die hij moet ontwijken, en pas zijn vrijheid vindt als hij de ruimte volledig heeft kaalgevreten.

Steeds opnieuw beschrijven de auteurs hoe cultuur ‘politiek’ doorwerkt in de maatschappij. Wikipedia is politiek omdat zij de informatiehiërarchie openbreekt en miljoenen nieuwe relaties creëert. De tegenovergestelde reacties van de Britse politie en de politie uit New York (respectievelijk walging en enthousiasme) op het computerspel GTA (Grand Theft Auto) verraden iets over de opvatting die beide politiedepartementen hebben over orde en discipline en het mensbeeld dat zij erop nahouden. De film Mysterious Skin uit 2004 wordt gelezen als een politieke daad omdat zij stereotype sekserollen doorbreken. De afwijzende reactie van conservatief Amerika op de postume expositie van de Amerikaanse kunstenaar Robert Mapplethorpe, zorgde er onbedoeld voor dat ethnische en seksuele identiteit opnieuw doordacht werd door legio Amerikanen. En zo werd Mapplethorpe na zijn dood nog een politieke actor.

Dit boek beschrijft het werk van een moeilijke denker als Deleuze op zeldzaam toegankelijke wijze, en laat en passant zien hoe dit denken overal in de cultuur werkzaam is en hoe je er zelf mee verder kunt. Deleuze Reframed is een gracieus boek dat alles doet wat het belooft: Deleuze productief maken!

Een sensibele denker


Ogenschijnlijk uit het niets groeide Jacques Rancière (1940) uit tot dé ster van de Franse filosofie. Niet alleen onder politieke filosofen  is hij bekend ook in culturele kringen en dat heeft alles te maken met zijn aandacht voor sensibiliteit.

In de gehele geschiedenis van de filosofie, en dan met name in de esthetica is sensibiliteit een thema, zij het dat het decennialang als residu van de rationaliteit gedacht werd. ‘Iets’ ontsnapt steeds aan conceptualisering en dat iets werd steeds anders benaderd. Bij Martin Heidegger heette het ‘stemming’, het kwam terug als roes, transgressie, verschil of anderszins.

Het sensibele werd ooit omschreven door filosoof Henk Oosterling als beroering: beroerd worden door, of beroerd zijn van. Wij worden aangeraakt door de wereld en uit deze aanraking ontstaat bewustzijn. Dat is een inzicht dat haaks staat op het verlichtingsidee dat de mens wezenlijk rationeel en welbewust is. Het liberale mensbeeld van de autonome rationele individu, komt op losse schroeven te staan zodra bewustzijn ontstaat door ‘iets’ dat aan het bewustzijn voorafgaat. Deze tactiele dimensie in het denken is evenwel in de beeldende kunst, in het theater, de grondstof. Wat filosofen zo moeilijk kunnen benaderen, is in de kunst het uitgangspunt. Voor Rancière echter is dit fundamenteel. Hoe duiden we onze sensibele ervaring? Daarvan hangt af wat we kúnnen zien en kunnen zeggen. 

1968

De bekoring van het werk van Rancière ligt is de verwevenheid van het sensibele en de (ervaring van) gemeenschap. Opgeleid in de kring van neo-marxisten rondom Louis Althusser (1918 – 1980) maakt Rancière  zich na 1968 – een jaar dat doorslaggevend was voor de intellectuele ontwikkeling van veel Franse filosofen – los van zijn leermeester.  In La leçon d’Althusser (1974) legt Rancière uit dat zijn werk zich verwijderde van zijn leermeester die teveel de filosoof van de orde was. Maar anderen als Gilles Deleuze en Jean-François Lyotard’s konden hem ook niet bekoren. In de politiek van de ‘difference’ zag hij het gevaar van een omdraaiing van Marx these over Feuerbach: ‘We probeerden de wereld te veranderen, maar nu komt het erop aan haar te interpreteren.’ Een gevaarlijk conformisme waarbij de filosofie in het besef van haar eigen grenzen de wereld niet langer wil veranderen, maar slechts een andere houding propageert.

Begin jaren 80 werkte Rancière aan twee studies La nuit des prolétaires (1981) en Le philosophy et ses pauvres (1983) die beide de relatie tussen denken en maatschappij conceptualiseerden. Uit die tijd stamt Rancières afkeer van de opvatting dat filosofie de geprivilegieerde positie heeft om te spreken voor hen die niet ‘voorbestemd zijn om te denken’. Denken en spreken, en zwijgen en zwoegen, zijn geen zaken die over de mensheid verdeeld liggen, maar zijn ideologisch gevormd. De maatschappij brengt structuren voort waardoor de een zich kan uitspreken en aldus vorm kan geven aan wat gezegd en gezien kan worden in een bepaalde gemeenschap, terwijl de ander veroordeeld is om zwijgend te werken. Die ongelijkheid tussen mensen volgt uit de inrichting van de gemeenschap; dus de politiek. Rancière doet één aanname: gelijkheid. Niet als doel om naar te streven, maar als fundamenteel uitgangspunt.

Het zichtbare en het zegbare

Wat Rancière kritiseert in de politieke filosofie is de neiging om de politiek te identificeren als beleid. Of preciezer: als een georganiseerd systeem van coördinaten die een distributie van het sensibele, of een wet die de gemeenschap in groepen, sociale posities en functies verdeeld. Deze wet verdeeld hen die deelnemen en hen die uitgesloten zijn, en veronderstelt dus een esthetische scheiding tussen het zichtbare en het onzichtbare, het verstaanbare en het onverstaanbare.

Dit mag abstract lijken, maar is het bij nadere beschouwing toch niet. Woorden als ‘comazuipen’, ‘swaffelen’, en ‘cougar’, maken een praktijk zichtbaar en bespreekbaar die vervolgens een rol speelt in de gemeenschap. Alle drie die woorden waren in de jaren 30 ondenkbaar geweest, of hadden een volstrekt andere rol gespeeld. Een cougar, is een oudere vrouw die op jonge mannen valt. Dat is een praktijk, die niet denkbaar is zonder de financiële emancipatie van de vrouw.  Andersom zijn mensen die niet spreken ook onzichtbaar. In een uitzending toonde EenVandaag onlangs het verhaal van Zahara Bare, een zwangere vrouw, die stierf in het AZC in Leersum ondanks pogingen van asielzoekers om hulp te zoeken. Zij werden letterlijk: niet gehoord en zijn daardoor in de gemeenschap onzichtbaar.

De politieke hiërarchie, uitgedrukt in het zichtbare en het zegbare, denkt Rancière als een verwevenheid tussen het sensibele en het politieke. Volgens Rancière moet politieke filosofie nadenken over het verschil tussen het politieke en de politiek. Daartussen bestaat een onoplosbaar conflict dat niet juridisch kan worden opgelost. Politiek is gouvernementeel, het is beleid, ingrijpen in sociale processen. Maar daaraan vooraf gaat ‘het politieke’, dat wat voorafgaat aan politieke termen als ‘burger’, ‘recht’ en ‘democratie’. Voorbepaalde groepen, minderheden en dergelijke zijn geen godgegeven verschillen tussen mensen, het zijn politieke entiteiten die de uitkomst zijn van de dynamiek in een gemeenschap. De geschillen die volgen uit emancipatiore strijd, zijn conflicten tussen een gegeven distributie van het sensibele en wat daarbuiten blijft.

Esthetica

Behalve als politiek denker gaf Rancière de laatste jaren een geweldige impuls aan de opleving van de esthetica met boeken als:  L’Inconscient esthétique (2001), Le Destin des images (2003) en Politique de la littérature (2007). Na Gilles Deleuze en Alain Badiou is hij de grote denker in de kunst. Hij verwierp een aantal debatten zoals die rond modernisme/postmodernisme, autonomie en het langlopende debat over het ‘einde van de kunst’. Dergelijke debatten ondermijnd Rancière door zich direct te richten op de onderliggende veranderde sensibiliteit, die Rancière uitdrukt als ‘regimes’ van denken over kunst én gemeenschap.

Esthetica is voor Ranciere iets fundamentelers, het is een antropologische grondtrek, onderdeel van de sensibiliteit waarmee wij ons in de wereld begeven. Dankzij dat inzicht schrijft Rancière in één moeite over het de esthetische grondtrek in het denken van Sigmund Freud en Karl Marx, over schrijvers als Honoré de Balzac, Stéphane Mallarmé en Émile Zola, de grote typografische experimenten van de 20e eeuw en hun invloeden op cinema.

Toch gaat Rancière niet mee in de inmiddels lange rijdans van mediatheoretici. In zijn intelligente kritiek op Walter Benjamin, verwerpt hij het idee dat de techniek de media voortbrengen die tot een andere distributie van het sensibele leiden. Niet ‘the medium is the message’, zoals Marshall McLuhan schreef, nee, eerst moet de nieuwe techniek herkent worden als drager voor sensibele expressie alvorens de techniek tot medium kan worden. Daarmee heeft Rancière een conceptueel kader voor ons geschapen waarmee en waartegen nog lang gedacht kan worden.