Grenzen aan het bevattingsvermogen van een babyboomer

2010032313121134‘Als vrijheid wordt verabsoluteerd, dan zullen we zien hoe ook de beste ideeën eindigen in een catastrofe’ (Door leonhard de paepe. Athenaeum)

Dat is de dialectische conclusie van Ian Buruma’s Grenzen aan de vrijheid, het essay voor de maand van de filosofie die deze maand weer van start gaat. Het is Buruma’s verdienste dat hij in deze publicatie de interne paradox van het begrip vrijheid – lang geleden vervat in Isaiah Berlin’s onderscheid tussen positieve en negatieve vrijheid (vrijheid om en vrijheid van) – blootlegt en nog maar weer eens uitlegt dat er altijd en overal een grens aan de vrijheid zit.

Ian Buruma (Den Haag 1951), werd ondermeer bekend door zijn boek Occidentalisme Het Westen in de ogen van zijn vijanden, dat hij in 2004 samen de Israëlische filosoof Avishai Margalit schreef. In dat boek verdedigde zij De Verlichting als fundament voor de beschaving tegen het ‘occidentalisme’, waarvan zij de verderfelijke wortels terugvonden in de laat negentiende-eeuwse Duitse filosofie.

Ook nu weer bewandelt hij het pad van De Verlichting, wat de zaak niet verhelderd. Want wat zou de interne koppeling zijn tussen rede (verlichting) en vrijheid? Op de eerste bladzijde wordt de grote Duitse filosoof Martin Heidegger afgeserveerd die Europa (of in ieder geval Duitsland) probeerde te beschermen tegen het oprukkende ‘Amerikanismus’ (p7) dat de Europese beschaving zou verweken en ten slotte vernietigen. Ten onrechte, meende Buruma in zijn studie uit 2004.

Maar wat lezen we in hoofdstuk drie van dit essay: ‘Neoliberalisme dat vanuit de Verenigde Staten is overgewaaid naar andere landen, is wars van positieve vrijheden. Alles draait om economische efficiëntie, productiviteit en de negatieve vrijheden van bankiers en zakenlieden om daar hun voordeel bij te behalen. […] Maar zonder enige impuls van positieve vrijheden verarmt de politiek.’ (p35)

Niet alleen de politieke, ook de culturele pendant van de beschaving is opgeslokt door deze economische efficiëntie. En precies dát is wat Martin Heidegger glashelder heeft voorspelt (het rekenende denken). Maar dat ontgaat Buruma die aan zijn Verlichtingsthema is vastgegroeid. Als babyboomer blijft hij hardnekkig actuele politieke problemen beschouwen in het ligt van de thema’s van ZIJN generatie, te weten: feminisme, pornografie, communisme en natuurlijk: de Tweede Wereldoorlog. Als hij te spreken komt over Mensenrechten schrijft hij het expliciet: ‘De belangrijkste drijfveer [voor het opstellen van de Mensenrechten] kwam pas na de gruwelijke massamoorden in de Tweede Wereldoorlog.’ (p72). En zo worden we geconfronteerd met de stokpaardjes van een generatie die maar niet kan inzien dat haar conceptuele kaders niets meer verhelderen.

Dat Buruma laat zien dat vrijheid in zijn absolute vorm even catastrofaal is als haar tegendeel is een grappige filosofische exercitie, maar daaruit blijkt slechts dat vrijheid niet de conceptuele sleutel is om de problemen van onze tijd mee te benaderen. Vrijheid is eenvoudige weg ons probleem niet. Buruma’s generatie heeft gevochten voor vrijheden die tegenwoordig zijn omgeslagen en monsterlijke proporties aannemen van verregaande seksuele perversie in alle lagen van de bevolking, doorgeslagen individualisme, grove beledigingen in het parlement en een grenzeloze graaicultuur op de ‘vrije’ markt. ‘Het gaat mij in deze beschouwing juist om de beperkingen op de vrijheid om dingen te doen die stoelen op goede principes.’ Dat is heel bewonderenswaardig, maar de vraag blijft: waar liggen die grenzen? Buruma rekent hij af met een idee-fixe van zijn generatie, namelijk dat meer vrijheid altijd iets goeds is. Voor de jonge intellectueel een faliekant open deur, maar aan iedere babyboomer zou ik zeggen: lezen die hap!