Heuristiek van de vrees, een ethiek in het licht van de toekomstige catastrofe

In 1978 zit Hans Jonas in prettige afzondering in Villa Feuerring in Beth Jizchak (Isreal). De dan 75 jarige veteraan die zeker acht jaar lang in Europa en het Midden-Oosten deelnam aan allerlei veldslagen, legt de hand aan wat zijn meest bekende werk zal worden: Das Prinzip Verantwortung.

 De Joodse filosoof Hans Jonas werd geboren in 1903 nabij Venlo in Mönchengladbach, hij studeerde theologie en filosofie in Freiburg, Berlin en in Heidelberg onder Martin Heidegger, die hem intellectueel opvoed in de fenomenologie en hem de vraag naar het Zijn leert. Als zijn leermeester zich aansluit bij de NSDAP voelt Jonas zich gedwongen Europa te verlaten en begint een roerig en gevaarlijk leven. Hij trekt naar Engeland en later naar Noord-Amerika waar hij tot zijn dood zou blijven.

 Als oude man beproeft hij nog eenmaal zijn getrainde hersenen en schrijft het boek dat hem beroemd zal maken. Het Principe verantwoordelijkheid, onderzoek naar een ethiek voor de technologische civilisatie, is een onderzoek, waarin de lessen van Heidegger, met name in de eerste hoofdstukken goed merkbaar is. Hij voelt zich te oud voor de moeite die het wetenschappelijke Engels en keert terug naar zijn moedertaal, het Duits. Hij verontschuldigd zich bij de lezer voor zijn verouderde Frankische Duits.

En dan begint een filosofieboek zoals alleen deze generatie Duitse denkers ze kan schrijven. Vanaf het allereerste begin is zijn argumentatie ijzingwekkend precies. Van de veranderde menselijke conditie, naar de vraag van het zijn, en de menselijke verantwoordelijkheid, zonder ooit een stap te maken die niet waterdicht filosofisch onderbouwd is.

Hij begint met een gedicht uit Sophocles Antigone, waarin de mens wordt beschreven als een wezen dat angstaanjagend is:

 Veel is ontzettend, en niets
Ontzettender dan de mens.

Ontzettend is de mens, omdat hij alleen de elementen en zelfs wilde dieren aan zich onderwerpen kan met louter en alleen zijn verstand. Hierin is hij het wezen dat heerst over de natuur.

In de rest van het boek, zal Jonas dit eeuwenoude mensbeeld met grote urgentie betrekken op zijn tijd. De urgentie die de oude man voelde, het onheil dat hij aan zag komen, heeft – helaas – nog weinig aan betekenis ingeboet. Vrijwel alle termen in het hedendaagse debat komen langs: milieucrisis, energiecrisis, genetische manipulatie, ‘have’s and have-nots’, ‘global city’, de eindigheid van natuurlijke hulpbronnen, tot aan ecologie en internationaal terrorisme! (in 1979!)

Dit alles is de achtergrond van het fundamentele inzicht van Jonas: de techniek is in onze tijd zo krachtig geworden dat zij ons in staat stelt handelingen te verrichten waarvan de consequenties ontzettend zijn. Ingrijpender dan ons denken kan voorspellen. Zo ingrijpend dat de consequenties niet alleen voor het eerst continenten omvat, maar zelfs toekomstige generaties in situaties kan brengen waarvoor het niet verantwoordelijk geacht kan worden, maar wel zich toe zal moeten verhouden. Die verantwoordelijkheid, die volgt uit de ontzettende mogelijkheden die de mens dankzij de moderne technologie heeft, ligt, aldus Jonas, of wij het willen of niet, in onze handen. Jonas, die dit ruim dertig jaar voordat (onze) politici het beginnen te begrijpen, inziet voelt zich genoodzaakt om de consequenties daarvan te doordenken.

Het principe verantwoordelijkheid, is een ethiek die hieraan wil beantwoorden. Hij wijst erop dat alle vormen van ethiek tot nu toe: ‘heb je naaste lief zoals jezelf’, ‘Maak je eigen welzijn ondergeschikt aan het algemeen belang’, ‘behandel je medemens nooit alleen als middel, maar ook altijd als doel op zich’, enzovoort, nooit rekeningen houden met de toekomst. Er is een inherente onmiddellijkheid. Maar de mens was ook niet eerder in staat om de levensvreugde, en zelfs diens levenscondities zo te bedreigen door actuele lichtzinnigheid.

De onverbiddelijke zwaarte van dit inzicht uit hij in een variant op Immanuel Kant’s beroemde ‘categorische imperatief’:

Handel zo dat de gevolgen van je handeling niet in strijd zijn met de duurzaamheid van echt menselijk leven op aarde.

Jonas voegt dus het element tijd toe, maar laat niet na om te waarschuwen tegen utopie. Iedere utopie spiegelt de mens een eindtijd voor waarin alle leven op aarde zijn uiteindelijke bestemming vindt. Dit idee is zelf verantwoordelijk voor grandioze lichtzinnigheden die de levens van alle Europeanen op een of andere wijze hebben geraakt. Er is géén paradijselijke bestemming en we zijn niet in staat om de natuur uiteindelijk volledig te humaniseren, zoals utopisten ons beloven. We zijn een kwetsbaar en dubbelzinnig wezen, dat nooit is wat hij denkt,  en nooit denkt wat hij is. Met deze onzekerheid over onszelf moeten we leven. Al wat we zeker weten, is dat er een inherente plicht is om voort te blijven bestaan die volgt uit het ethisch appel van de pasgeborene. In het kind ontwaart hij het oerobject van de verantwoordelijkheid. En zo zijn wij gedwongen onszelf te beteugelen omwille van de mensheid zelf. Zijn oplossing heet: heuristiek van de vrees. Een zoekend, bescheiden en terughoudend denken, dat liever zichzelf iets ontzegd dan een weddenschap aan te gaan met de natuur met als inzet de volgende generaties.

 En zo bespreekt Jonas zijn inzicht met de autoriteit van zijn urgentie en het ambacht van zijn jarenlange filosofische scholing. Hij trekt zijn oorspronkelijke gedachte van de ethiek, naar de ontologie, van de vrije tijd naar de vriendschap, en van het socialisme naar het kapitalisme. En van de utopie naar de politieke verantwoordelijkheid. Zonder zijn argumentatie ooit te ontslaan van zijn strengheid, lijkt Jonas te willen schreeuwen, dat de uitdaging voor de 21e eeuw niet is: redt de banken, maar: redt de mensheid.

Dit boek verdiend een eerste vertaling in het Nederlands, al is het dan 30 jaar te laat. Aan urgentie heeft het boek weinig ingeboet. Nimmer probeert Jonas ons niet als een botte politicus te overtuigen: hij laat de waarheid schijnen.

Wie dit leest is gek

Lezen is het ambacht van de filosoof. Van alle manieren waarop mensen boodschappen aan elkaar geven, de spraak (retoriek, vanaf het begin verwant aan het theater), de beeldende kunsten, de dans en podiumkunsten, is het schrift het dichtst doorgedrongen tot ons denken.

Vandaar dat de denker schrijft. Hij schrijft als hij denkt en hij denkt als hij schrijft. Hoewel sommige filosofen het schrijven (als ambacht) nooit helemaal meester worden, (hoewel Machiavelli, Mandeville en Schopenhauer met regelmaat in de literatuurgeschiedenis worden genoemd), is het ambacht van de filosoof lezen.

Dat lezen een ambacht kan zijn, daarvan is de geschiedenis van de filosofie een voorbeeld. Sinds de uitvinding van het schrift heeft iedere eeuw wel een denker voorgebracht die zijn eeuw blijvend overleefde en van wie er nog steeds vertalingen bestaan. Arthur Schopenhauer had zelfs zo’n vertrouwen in de filosofie dat hij in het derde voorwoord van zijn, bij leven vrijwel ongelezen, meesterwerk De Wereld als Wil en Voorstelling,  direct richt tot de volgende generatie. Hij was er zo van overtuigt dat zijn gedachten de boekwinkels in onze tijd zouden halen.

Het ambacht van de filosoof, het lezen, stelt hem in staat zich reflectief op te stellen tegenover wat hij leest. Geen krant of magazine kan hij lezen, zonder dat hem een antropologische vooronderstelling opvalt, een mensbeeld toestraalt of een redeneerfout hem in het oog springt. ‘Van een glas cognac maakt hij nog filosofie’, zei een vriend tegen Jean-Paul Sarte, die daarop naar Duitsland toog om bij deze filosoof, Martin Heidegger te studeren.

En deze Heidegger, die kon lezen. Als Heidegger tachtig jaar oud wordt, geeft Hannah Arendt een toespraak waarin zij spreekt over een storm die ons toewaait vanuit zijn denken die niet van onze eeuw stamt, maar veel ouder is: ‘hij komt vanuit het oeroude, en wat hij achterlaat, is iets onovertroffens dat, zoals al het onovertroffene, in het oeroude een onderkomen vindt’.

Welnu, laat ons twee denken opmerken: ten eerste is het denken van Heidegger vooral bekend door zijn schrijven, en dat kunnen wij alleen kennen door het te lezen. Ten tweede, Arendt moet zelf goed kunnen lezen, om zonder zich te verliezen in goedkope superlatieven, zo’n conclusie te kunnen trekken. Maar dit oeroude, dat Heideggers denken doortrok, is een beïnvloeding van dat denken door zijn levenslange studie van de klassieken, die zijn leermeesters waren. Dáár haalde hij zijn meest fundamentele vraag naar het zijn vandaan die hij betrok op zijn tijd voordat hij Sein und Zeit schreef, het werk dat waarschijnlijk zijn meest beslissende gedachten bevat. Dat is een lezen, een fantastisch lezen. Daarvoor moest Heidegger zich fysiek terugtrekken in zijn berghut, ver weg van het gekakel van het ‘men’ dat hij verafschuwde. Wie graag biografieën van filosofen leest zal het opgevallen zijn dat filosofen vaak niet veel op met de actualiteit, het gekakel, schreeuwerigheid. Zij lezen!

Maar hier spreken wij niet van de herrie, maar over een filosofische plicht. Zit er ethiek in het denken? Is de denker verantwoordelijk voor zijn gedachten? Het is immers zijn ambacht, mogen we er wat verantwoordelijkheid van verwachten? Is hij niet degene die zich uitspreekt over de wereld en haar aard? Wil hij niet de leraar van de mensheid zijn? Moet hij niet ernstig zijn en zich richten op zijn vakgenoten, zijn leraren die hem voorgingen en die zijn denken voortstuwen tot hij zich ervan losmaakte en er zelf een fundamentele nieuwe gedachten over ontwikkeld? En moet hij dan niet dwars door oorlogen (Sartre), burgeroorlogen (Hobbes) Franse (Hegel), industriële (Marx) en culturele (Foucault) revoluties, genocide (Arendt), opgedeelde vaderlanden (Habermas, Gadamer) zijn hoofd koel houden en zijn denken niet laten ontsporen door wat toch nauwelijks ‘de waan van de dag’ genoemd kan worden?

Als het antwoord hierop ja is, dan leg je de filosoof een plicht op. Dan wil je hem later de maat kunnen nemen en hem afwijzen, ook als hij al decennia of zelfs eeuwen dood is. Dat nu echter, veronderstelt dat de er een plichtsethiek van het lezen is. Een plicht tot lezen. Lezen alsof iedere tekst door een tijdgenoot geschreven is. Dit nu is misschien de hoogste ambachtelijkheid van de filosoof. Filosofie lezen, hoe oud ook, alsof het van een tijdgenoot kwam.

Er zijn denkers die dit kunnen. Jacques Ranciere’s reageert als door een bij gestoken door Hannah Arendt. Hij verwijt haar dat zij de mensenrechten depolitiseert, met haar Aristoteliaanse onderscheid tussen zoë en bios politicos, tussen zij die in de gemeenschap staan, en zij die er buiten staan. Volgens Ranciere is het ‘menselijke’ te vinden in het meest fundamentele politieke onderscheid: hij die gekwalificeerd is voor het uitoefenen van publieke macht, en hij die dat niet is, en veroordeeld is tot onzichtbaarheid en stilte, gezeten in uitzichtloze baantjes van waaruit een publieke stem onmogelijk is.

Voor Ranciere gaat Arendt, die toch niet verdacht kan worden van al te aristocratische trekjes, nog niet ver genoeg. Zij had moeten inzien dat ieder mens, hoe onzichtbaar zijn bestaan ook moge zijn, vanuit gelijkwaardigheid de potentie heeft om (goedschiks of kwaadschiks) een stem, en dus een zekere (of grote) politieke invloed te krijgen. Zoals bijvoorbeeld Frederick Douglas (1818 – 1895)., een geboren slaaf die de uitvinder werd van de term: self-made man. Ranciere’s werk vertoont onophoudelijk aanvallen op Plato. Hij ziet Plato als degene die het onderscheid tussen mensen voor een en voor altijd gefundeerd heeft in zijn filosofie. Niet eens met een argument, maar met de mythe van de drie metalen, die wil dat de mensheid is opgedeeld in drie menstypen, waarvan alleen de zij die weten (de filosoof) het recht hebben om het leven van anderen in de gemeenschap te bepalen.

Dergelijke gedachten zouden hun invloed niet kunnen behouden zonder het schrift. En dergelijke kritiek zouden nooit in het hoofd van een mens opkomen, als er niet iemand was die zo af en toe een voetnoot bij Plato zou kunnen plaatsen, ook al staat er in die voetnoot: ‘wie dit leest is gek’.