Tahrir Square Everywhere!

Milton Friedman, neem hem nu maar zijn nobelprijs van de economie af. Het is een sekte, een leugen die niet bestand is tegen de wereld.’

Lieven de Cauter sprak bij Casa Luna over de Occupy beweging die deze week in navolging van de opstand in Egypte wereldwijd doorbrak. Tien jaar was hij boos en  tien jaar pessimist, toch klonk het jubelend: Tahrir Square Everywhere!!!

Luister hier de uitzending.

http://www.radio1.nl/contents/39412-filosoof-lieven-de-cauter-is-al-tien-j-r-woedend


Van Ayn Rand, via Alan Greenspan tot de kredietcrisis is het een utopie. Human Resource, alleen de term zou alle alarmbellen moeten doen afgaan. Management lijkt politiek neutraal, maar dat is het niet. We zijn allemaal deel van het kapitalisme. Het neoliberalisme zit ons tot in de poriën.

Maar het is een utopie en ik kan een zesjarige uitleggen dat de 1% de 99% beroofd. Op Wallstreet, bij de banken zitten de rovers en ze roven al dertig jaar. Iedereen kan het nu zien. Het is evenwel een wereldwijde utopie.

Dat via sociale netwerksites, losjes georganiseerd op facebook en dergelijke het mogelijk is om in Brussel, Berlijn, Madrid, New York, Amsterdam, Den Haag, en Rome, is een voorbeeld van een geheel nieuw soort van intelligentie. Zwermintelligentie. Waar vanaf Plato alle politieke theorieën de menigte zagen als een ongestructureerde kracht die beteugeld en geleid moest worden. En nu blijkt dat er een intelligentie bestaat in een genetwerkte menigte die zichzelf organiseert. Op Tahrir Square organiseerde de menigte drie hospitalen, oude vrouwtjes kwamen eten uitdelen, de Christelijke activist George Ishak (zie beeld hieronder) trad op als leider van de burgerlijke oppositiegroepen genoemd: Kefaya (Genoeg!), waarbij zelfs vooraanstaande islamist Abdelwahab al-Meisseiry zich aansloot. Kopten en moslims organiseerde hun gebedstijden zodat zij elkaar konden beschermen als de politie aan zou vallen. Op het laatst stonden er aldus de Cauter 3 miljoen mensen op straat, 3x Brussel!

Tahrir Square Cairo is het ankerpunt volgens de Cauter. Tahrir Square is de uitkomst van 9/11. Dit is waar de clash of civilization eindigt; waar Project for a New American Century, het intellectuele program van de Bush administratie dat werelddominantie ambieerde, eindigt. In 2011 was het Kefaya en dat stemt ons hoopvol.  ‘Hoop komt nu echt uit de Arabische wereld’.  Daarom zegt de Cauter nu al maanden: Tahrir Square Everywhere!

 

Selfmade man, de ZZP-er als guerillastrijder

In 1859, in aanloop naar de Amerikaanse Burgeroorlog, houdt Frederick Douglasss (1818 – 1895) een beroemd geworden speech genaamd ‘Self-Made Men’. De speech wordt gezien als het begin van een ideaal en de geboorte van een culturele figuur: the selfmade man. Het bijzondere aan de speech is niet in de laatste plaats de spreker zelf. Douglasss was in zijn jeugd het rechtmatige bezit van zijn meesters en werkte op de plantage. Hij versloeg zijn onderdrukkers met diens ideologische wapens als een guerrilla.

Is zzp’er lijkt soms een arbeidsvorm die in het leven geroepen is om het arbeidsrecht verder te ontmantelen of zou de zzp’er de guerilla kunnen zijn die het kapitalisme van binnenuit duurzaam vernieuwt?

 Het verhaal van Frederick Douglass begint onder erbarmelijke omstandigheden (hij wist zijn leven lang niet wie zijn vader was; zijn moeder, een slavin, overleed toen hij zes jaar was, en zelfs zijn precieze leeftijd is tot de dag van vandaag onbekend). Toch is zijn levenswandel opmerkelijk in lijn met de bekende cliche’s van de succesvolle ondernemer. Hij boog zijn nadelen om in zijn voordeel (turning a negative into a positive), pakte zijn kansen (opportunities) waar hij ze maar zag, hij was ‘pro-actief’ en initiatiefrijk. Rond zijn twaalfde leerde hij het alfabet van zijn meesteres Sophia Auld. De Wye House Plantage leerde hem wat hard werken is. De lessen van Sophia– die zij hem zeer tegen de zin van haar man gaf – stopten toen zij hem een krant zag lezen. Ze pakte de krant af en zei dat educatie en slavernij onverenigbaar zijn. Met die woorden echode ze de kritiek van haar man die haar een paar weken daarvoor had verteld dat als een slaaf leert lezen, hij ontevreden wordt over zijn conditie en naar vrijheid gaat verlangen.

Douglass noemt deze uitspraak in zijn autobiografie Narrative of the Life of Frederick Douglasss, an American Slave (1845), de eerste ‘anti-slavernij lezing’ die hij ooit hoorde. Douglass  bleef zich oefenen in lezen en schrijven onder het devies: ‘Knowledge is the pathway from slavery to freedom’. De familie Auld stuurde Douglass  naar Edward Covey toen zij ontdekte dat hij andere slaven de Bijbel leerde lezen. Covey had een reputatie als ‘slavenbreker’ en sloeg de tiener met de zweep tot deze op zestienjarige leeftijd een fysieke confrontatie aanging waarna hij nooit meer werd geslagen. Uiteindelijk zou Douglass weglopen. Hij groeide uit tot een gezien spreker, publicist, hervormer en self-made man. Volgens zijn definitie zijn ‘self-made’ mannen: ‘Mannen die weinig of niets verschuldigd zijn aan afkomst, connecties, een gunstige omgeving, overerfde welvaart, of educatie. Het zijn zij die zonder hulp of goede uitgangspositie van waaruit andere mannen opstaan in de wereld, grote resultaten behalen.’[i]

Douglass  geloofde dan ook niet in de ‘good-luck theory’[ii] die succes toeschrijft aan toeval of gelukkige materiële omstandigheden. Volgens Douglass  kan van geluk geen sprake zijn. Er is maar één verklaring voor succes: “WORK! WORK!! WORK!!! WORK!!!!”[iii]. Hoewel hij toegaf dat de maatschappelijke orde en de goddelijke wet een rol spelen, is hard werken de doorslaggevende factor voor succes. Aldus ligt de sleutel tot succes NIET in ras, klasse, sekse etc. Maar louter en alleen in het karakter.

De eis voor emancipatie van Afro-Amerikanen van Douglass  komt hierop neer: ‘Geef de neger [e1] een eerlijke kans en laat hem met rust. Als hij leeft, goed. Als hij sterft, ook goed. Als hij niet op kan staan, laat hem vallen.’[iv] De legitimatie hiervoor is een aanname over de menselijke natuur. Volgens Douglass  bestaat er een natuurlijke hiërarchie tussen mensen, die sterker is dan iedere maatschappelijke orde. Ieder, zelfs de slaaf, krijgt het lot dat hij verdient, ondanks een ongelijke startpositie. Al wat nodig is, is een eerlijke kans en vrijheid. In de figuur van Douglass  komt aldus de uiterste consequentie van The American Dream tot uitdrukking, die wij nog altijd herkennen in het taalgebruik van ondernemers. Hij is werelds, wordt geassocieerd met vrijheid, en is niemand iets verschuldigd en heeft zijn succes louter aan zichzelf te danken.

Hoewel The American Dream inmiddels is ingehaald door de realiteit[e2]  – de sociale mobiliteit loopt al jarenlang terug en armoede is sinds een aantal jaren weer erfelijk[v] –  is de ethische kern ervan springlevend. Vrijwel iedere ondernemer, ook in Europa, legitimeert zich impliciet of expliciet op de rechtvaardigheid van de sociale mobiliteit die The American Dream veronderstelt. En zelfs wanneer de sociale mobiliteit terugloopt is er nog altijd geen ethisch-maatschappelijk probleem. Maarten Schinkel, de bekendste economieredacteur van NRC stelde onlangs dat de sociale mobiliteit terugloopt, MAAR, dat dit een natuurlijk proces is. Immers, in de sociale revolutie van de jaren zestig waren de culturele conventies op drift geraakt en was er een eerlijke verdeling van kansen gekomen. En nu had iedere Nederlander zijn natuurlijke plaats in de wereld gevonden. Dat de sociale mobiliteit terugliep was juist een effect van een geslaagde sociale herverdeling van posities tot een natuurlijke hiërarchie; niet van haar falen. Met andere woorden: wie nu nog geen succes heeft, heeft zijn lot aan zichzelf te danken.

Terug naar Frederik Douglass. Hij bevocht het systeem met de eigen ideologische wapens, en daarmee is Douglass welbeschouwd een guerrillastrijder. Hij stelde zich niet op TEGENOVER de American Dream maar radicaliseerde deze tot haar uiterste consequentie. Niet de blanke Amerikaan, maar hij de voormalige negerslaaf, was de belichaming van dit individualistische ideaal.

Externalities

Toch is kritiek hier op zijn plaats. Douglass voldoet op cruciale punten niet aan zijn eigen definitie van de self-made man. Hij kon uit zijn ketenen opstaan en het woord nemen, maar dit woord moest hem wel geleerd worden. Hij leerde het van Sophie Auld die daarmee de wet overtrad. Er moest dus iets uitzonderlijks  gebeuren voordat Douglass zijn emancipatie kon starten.  Dit heeft Douglass echter niet aan zichzelf te danken. Met andere woorden: als Douglass geen (gratis) lessen had gekregen van Auld was hij zelf de zwarte man geweest die niet KAN opstaan. Douglass’ uitspraak dat als de zwarte man niet op KAN staan, men hem mag laten vallen, vindt haar legitimatie in Douglass claim op souvereiniteit. En die souvereiniteit die Douglass zichzelf en de self-made man toeschrijft is dus niet absoluut.

Het loont de moeite om de denkfout van Douglas, die een denkfout in The American Dream is, economisch te vertalen, omdat de problemen in de economie samenhangen met een systeemfout die voortvloeit uit de achterliggende ideologie. De onderneming leeft van de transactie tussen twee partijen. Deze transactie heeft echter principieel consequenties voor een derde partij. Dit is een: externaliteit. Niemand minder dan Milton Friedman definieerde dit als volgt: ‘Een externaliteit is het effect van een transactie tussen twee individuen op een derde partij die niet heeft ingestemd met de transactie en een rol heeft gehad in de uitvoering van die transactie.’[vi] Friedman, de architect van het economische systeem dat via Thatcher en Reagan voet aan de grond kreeg[vii], en vervolmaakt werd door George W. Bush, voegt daar zelf aan toe: ‘en er zijn serieuze problemen op dat gebied.’

Het probleem is dat deze derde partij niet gehoord wordt of zelfs in zijn bestaan ontkend wordt, zoals exemplarisch in de ‘win-win situatie, waar ondernemers prat op gaan. In de win-win situatie is er altijd een verzwegen derde ‘loose’ partij. Een voorbeeld hiervan is de werknemer die geen deel had aan het wanbeleid van zijn bedrijf onder druk van de aandeelhouder, maar wél degene is die zijn baan verliest. Andere belangrijk voorbeelden zijn het milieu, waarin de restproducten van de industrie worden gedumpt, en (niet te vergeten!) de belastingbetaler die nog decennia lang de gevolgen zal voelen van de miljardeninjecties in de banken in de eerste fase van de economische crisis en in landen (zoals Griekenland) in de tweede fase. Ook het importeren van arbeidskrachten kent een derde partij: de gezinnen in de Derde Wereld die de kosten van de opvoeding hebben gedragen. Dat is nu juist de zin van arbeidsmigratie. Je importeert mensen in hun productieve levensfase.

Economen zijn zich ervan bewust dat het bestaan van externaliteiten betekent dat ‘winst’ niet een Godsgeschenk [e3] is maar een vorm van redistributie waarbij twee partijen winnen (win-win) en ééntje – de niet-geconsulteerde – verliest. Dit wordt op groteske wijze geïllustreerd door de film van Marcel van Dam, die niet toevallig: ‘De onrendabelen’ (2009) heet. In die film zegt hij ‘niet geweten te hebben’, dat de minima vanaf de jaren tachtig (Tatcher, Reagan) niet profiteren van de ‘economische groei’. Zij worden nu benadeeld door het kabinet Rutte, maar zij wonnen ook niet in de jaren negentig. Terecht zegt van Dam: ‘voor het groter worden van de kloof tussen arm en rijk, maakt het geen bal uit wie er regeert’. Dit ‘wir haben es nicht gewusst’ van Marcel van Dam geeft wel te denken over het intellectuele klimaat in zijn dagen. Was het niet de taak van links om precies dit te weten en te bestrijden?

 Bij Douglass is de zwarte man die niet kan opstaan de externaliteit van zijn succes. De ideologie van de self-made man van Douglass begint onbedoeld te functioneren als een nieuw ideologisch wapen om de maatschappelijke verliezer te beschouwen als natuurlijk verschijnsel.[e4]  Precies zoals Maarten Schinkel de maatschappelijke verliezer als een natuurlijk verschijnsel ziet na de revolutie van de jaren 60. Zo verwordt The American Dream tot een conservatieve nachtmerrie.  [e5] 

De oplossing van economen voor dit probleem is altijd dezelfde: innovatie. Innovatie, vernieuwing, dynamiek moet de verliezers van het systeem opnieuw oppakken en productief maken. Echter, dit is een secundair effect van innovatie. Het primaire effect van innovatie is hogere arbeidsproductiviteit en minder werk. Iedere techniek die in het bedrijf wordt ingevoerd maakt een aantal arbeiders overbodig. Op dezelfde manier wordt de leuze van de VVD om ‘ons land aantrekkelijk te maken voor investeerders’, verkocht. Geef de ondernemers meer vrijheid, minder regels en meer belastingvoordeel en iedereen zal daar van profiteren, ook de armen.  Maar intussen sta je wel toe dat er minder belasting wordt geheven daar waar het geld zit, en wend je de belastinginkomsten aan voor de bovenkant van de maatschappij.

Puur logisch beschouwd is de win-win-situatie onmogelijk als iedereen ondernemer is. Zolang de succesvolle onderneming bestaat bij de gratie van het afwentelen  van kosten op derde partijen moet de markt expansief zijn om interne stabiliteit te bewaren. Met andere woorden: zodra het kapitalisme en de ideologie van laissez faire daadwerkelijk de gehele globe omvat, implodeert zij. In die situatie bevinden we ons nu. De enige oplossing is duurzaamheid. Economisch gezien een ondernemingssituatie waarin de derde partij in de winstrekening wordt verdisconteert.

Dit is dan ook de conditie waaronder de Zzp’er voor links interessant kan zijn. Enerzijds is de ZZP-er een arbeider zonder contract. Het is een verdere afbraak van de arbeidsrechten. Anderzijds verdoezeld de ZZP-er de werkeloosheidscijfers. En toch is de ZZP ook een kans. Als zijn rechten met het zwaard beschermd worden[e6] , kan hij de guerrilla worden waar het kapitalisme niet op rekende. In het leger groeiende ZZP’ers bestaat er een mogelijkheid dat er een onderneming wordt gestart die zich onttrekt aan het probleem van de externalities[e7] . Bedrijven die niet functioneren door het beschermen van intellectueel eigendom in de poging een soort monopolie te genereren, maar die het van relationaliteit moeten hebben, hebben de potentie om de ondemocratisch bestuurde bedrijven een gevoelige klap toe te brengen. Hoewel Facebook niet het goede voorbeeld hiervan is, is het wél een voorbeeld van hoe één man in korte tijd een stukje sociale infrastructuur aanlegt waar een krachtige politieke werking van uitgaat. Niemand had immers kunnen voorzien hoe belangrijk Facebook zou zijn in de Arabische lente.

Uit dit soort eenlingen zouden democratische ondernemingen kunnen voortvloeien. Ze bestaan al. Isthmus Engineering in Wisconsin[viii] produceert robots voor de industrie en heeft een omzet van 15 miljoen dollar per jaar. Maar in plaats van externe aandeelhouders heeft dit bedrijf geen werknemers, maar louter eigenaars. Alle beslissingen worden democratisch genomen en de posities democratisch verdeeld. Het is dan ook onmogelijk dat er massaontslagen vallen, dat het management zichzelf verrijkt terwijl de arbeiders moeten inleveren. Als iemand ziek wordt heeft het bedrijf in zijn geheel baat bij zijn beterschap. Communicatie is beter, er is minder ziekteverzuim, afgunst en interne competitie zijn zo goed als afwezig. Bandwerkers verdienen er 65.000 dollar per jaar, het dubbele van een startende piloot! En dit bedrijf krijgt geen subsidie, het concurreert in het hart van het Amerikaanse kapitalisme.

Wat dit bedrijf doet is de arbeiders niet aan de kostenkant van de winstrekening zetten, maar aan de kapitaalkant. Aldus zijn er geen externaliteiten binnen het bedrijf. Dit is het type ondernemerschap waar we behoefte aan hebben. De eigenaars van deze firma zijn ondernemers waar we daadwerkelijk behoefte aan hebben en die een steunpilaar zijn voor de gemeenschap. Er is hier geen sprake van een briljante ondernemer, een self-made man die zijn succes alleen aan zichzelf te danken heeft zoals Frederick Douglass oprecht en ten onrechte over zichzelf geloofde. De self-made man en The American Dream zijn denkfouten die zondigen tegen een van de oudste filosofische a priori waarheden: Ex nihilo nihil fit, uit niets komt niets!

 


 


[i] Douglass s, Frederick (1882). Life and Times of Frederick Douglass s. (p549-50)

 men […] are the men who owe little or nothing to birth, relationship, friendly surroundings; to wealth inherited or to early approved means of education; who are what they are, without the aid of any of the favoring conditions by which other men usually rise in the world and achieve great results.’

[ii] Douglass s, Frederick (1882). Life and Times of Frederick Douglass s. (p552),

[iii] Douglass s, Frederick (1882). Life and Times of Frederick Douglass s. (p556),

[iv] Douglass s, Frederick (1882). Life and Times of Frederick Douglass s. (p557), Give the negro fair play and let him alone. If he lives, well. If he dies, equally well. If he cannot stand up, let him fall down.”

[v] Deze uitspraak is van Marcel van Dam, en is één van de conclusies uit zijn film; De onrendabelen.

[vi] The Corporation documentary 2003, min 18.00 ‘‘an externality is the effect of a transaction between two individuals on a third party who is not consented to or played any role in, the carrying out of that transaction.’’


Geschiedenis en Utopie (E. M. Cioran)


‘Als ik dit had geweten, had ik me laten aborteren.’ Die woorden sprak de orthodox christelijke moeder van de toen twintigjarige filosoof Emil Cioran (1901 – 1995) nadat hij wanhopig op de bank neerviel en verzuchtte dat hij niet meer kon. De woorden hadden een bevrijdend effect op de jongen. Hij besefte dat het verschil tussen bestaan en niet-bestaan toevallig is. Hij had er ook niet kunnen zijn. Er viel een last van hem af. Dezelfde last die hij in zijn latere werk zijn lezers ontneemt.

Dit wordt hem zelden in dank afgenomen. Uitgever en schrijver Jan Oegema noemt Cioran een ‘zuiger’, ‘amokmaker’ en ‘kapotmaker’, Ciorankenner Ger Groot noemt hem ‘irritant’ en zijn aforismen soms ‘banaal, aanstootgevend en onbegrijpelijk’. Blijkbaar hechten wij nogal aan ‘de last’ die het leven is. Het leven ‘mag’ blijkbaar, om met Schopenhauer te spreken, geen ‘misgeboorte van de dood’ zijn. We zien er liever een zin of doel in, dan een absurde toevalligheid, ondanks de nuchtere evidentie van het laatste. Cioran geneest je uit je optimistische sluimer.

Utopie

In Verleiding en Utopie spoort Cioran de utopie overal op; in ambitie, revolutie, ideologie, religie, eigenlijk is er al sprake van een hint van utopie wanneer iemand besluit uit zijn bed te komen. ‘Zelfs beweging als zodanig bevat een utopisch ingrediënt.’ Iedere daad veronderstelt een ‘beeld van geluk’ (‘het gouden tijdperk’) dat men ontbeert en dat paart zich niet aan actueel geluk. Actueel geluk, bestaat alleen in de absolute aanwezigheid in het hier en nu; een extase.

De onvermijdelijke teleurstelling die de utopie principieel teweeg zal brengen veroorzaakt vertwijfeling, woede, angst en wrok die zelf weer de motor achter nieuwe daden zal zijn. Iedere daad staat onder verdenking. Daden, zo zegt Cioran zijn altijd tegen iets gericht. Of het nu mensen, dingen of het eigen ik is. Die dadendrang is dus altijd gewelddadig. Vooral jongeren zijn vatbaar voor de gewelddadige verleidingen van de utopie. In ‘brief aan een verre vriend’ bekent hij de verleiding ook gesmaakt te hebben in zijn jeugd. ‘ik was jong en kon geen andere waarheden erkennen dan de mijne. […], Dat partijen met elkaar konden wedijveren zonder elkaar te vernietigen ging mijn begripsvermogen te boven.’ En ‘overtuigt als ik was dat de kwalen van onze maatschappij door de ouderen veroorzaakt werden kwam ik op het idee van een liquidatie van alle burgers boven de veertig.’ Zo gaat het met jongeren, ‘geef hun hoop op, of gelegenheid voor een moordpartij en zij zullen je blindelings volgen.’

Taboe

Aldus beukt Cioran met grof geweld door een diepgeworteld menselijk taboe, namelijk de aandrang de eigen ambities en de eigen persoon ‘goed’ te vinden. Zij is feitelijk tot plicht is geworden. Lees er de contactadvertenties op internet maar op na. Iedereen ‘houd van het leven’, ‘wil alles nog zien’, is ‘ambitieus’ en ‘ondernemend’.

Men kan het maatschappelijk optimistisch imperatief alleen op straffe van verbanning doorbreken. Cioran weet dat als geen ander. Als outcast beziet hij de wereld in al zijn objectieve treurigheid. Er is een verhaal bekent over Cioran in Parijs. Hij at in de mensa van de universiteit en leefde als kluizenaar. Op een dag belde niemand minder dan Samuel Beckett hem op die vroeg hoe het met hem ging. Verbouwereerd antwoordde Cioran: ‘Slecht! Ik kan niet meer.’ Waarop Beckett zei: ‘ik ook’. Na dit korte gesprek voelde Cioran zich gelukkig. Later liet Beckett hem vallen omdat hij niet meer tegen zijn eeuwig pessimisme kon. Zelfs toen hij de laatste vijftien jaar van zijn leven succes kreeg beklaagde hij zich. Terecht schrijft Ger Groot in zijn proefschrift dat daar ‘een zekere logica en onvermijdelijkheid’ zit.

Sprongen

Ciorans werkt geniet een zekere populariteit onder theologen en mystici. Toch is het een misvatting om te denken dat zijn werk over god gaat. In Geschiedenis en utopie verschuift hij voortdurend van niveau van analyse om zijn ene inzicht te verduidelijken. Daarin raakt hij aan religie, mythe, ideologie en aan het eigen leven, maar dat is niet de essentie. Waar het om gaat is dat het geluk dat wij verlangen ons ertoe brengt er een beeld van te maken. Die ‘denk-act’ creëert een gedachtebeeld: de utopie. Het punt is dat het geluk geen gedachte is maar een moment van extase waarin tijd en plaats vervliegen.

Het denken zelf ‘splijt’ de wereld in ‘tijd en plaats’, ‘subject en object’, ‘middel en doel’, en dat verwijdert ons van het geluk. Ieder planning van een betere toestand is utopisch, en daarom zondermeer vergeefs. Het is een poging ‘de behoefte het geluk, dus het onwaarschijnlijke, met de gang der geschiedenis te verbinden en een optimistisch, etherisch visioen zo ver door te drijven dat het weer uitkomt bij zijn beginpunt: het cynisme dat het wilde bestrijden. Kortom, een monsterachtige sprookjeswereld.’ En dat veroorzaakt weer woede, afgunst. Aldus lijden we en brengen we lijden in de wereld zonder ons daar echt van bewust te zijn. En zo draait het denken in zichzelf dol, tot er uiteindelijk niets overblijft als een grijze horizonloze wanhopige verveling.

De gouden tijd

De tragiek is nu, dat het geluk, ‘het gouden tijdperk’ wel bestaat. Hij haalt Dostojevski aan die naar aanleiding van een schilderij van Claude Lorrain schreef: ´Hier had de wieg van de mensheid gestaan. De mensen werden gelukkig en onschuldig wakker en zo sliepen zij ook in; in de bossen weerklonken hun vrolijke liederen, en het teveel van hun overvloedige krachten stortte zich in de liefde, in kinderlijke vreugde uit´ (uit: Boze geesten).

Dit paradijs bestond omdat voor de oermens er geen tijd, geen geschiedenis was. Zij leefden en stierven in een eeuwig nu en kenden geen zorgen. Zij leefden in harmonie met de natuur die zij kenden maar niet begrepen. Volgens de Griekse mythe was het Prometheus die het vuur stal van de goden en het schonk aan de mensen. Daarmee stortte hij de mens in de afgrond volgens Cioran, die het zelfde verhaal ook illustreert aan de hand van de zondeval. Met het vuur kwam de techniek. De techniek die belooft het leven te verlichtten maar ons alleen maar verder afdrijft van de oorspronkelijke natuurtoestand. Door te techniek kregen we kennis en leerden we te planmatig te speculeren op de toekomst. En daarmee verliezen we de oorspronkelijke (onbewuste) extase en creëren we utopieën.

Pessimisme

De utopie, is dus zowel de bron van onze streving als van ons lijden. Hierin lijkt Cioran als twee druppels water op Arthur Schopenhauer (1788 – 1860). Schopenhauer stelde droogjes vast dat het geluk – ‘zuiver objectief gezien een bestaan dat boven een niet-bestaan te verkiezen is’ – onmogelijk is omdat de wil (tot geluk in dit geval) zelf de bron van alle lijden is. Maar Schopenhauer was ook een gevoelig mens die zich oprecht teleurgesteld over het egoïsme in de menselijke drijfveren toonde. Zijn filosofische bouwwerk is uiteindelijk een poging te laten zien dat wij in eerste instantie niet redelijk, maar moreel in de wereld staan. Aldus roept hij ons op onze wil te matigen, te leren het lijden te nemen en geluk te zoeken in rust, en compassie ondanks alles.

Cioran is tweeslachtiger. Op wanhopige momenten verlangt hij naar de brute wil van de vitale maatschappij en schrijft dan dingen als: ‘een volk dat niet meer verkracht is reeds vervallen aan de decadentie’, of: ‘Het is volkomen begrijpelijk dat God een oplossing was en dat er nooit een bevredigender oplossing gevonden zal worden.’ Voor Cioran zijn ideologische oplossingen onmogelijk. Ze impliceren denken, en denken verwijdert ons alleen maar verder van ‘het gouden tijdperk’. En dit is dan de simpele gedachte van Cioran. De moeilijkheid zit hem niet in de gedachte maar in de reikwijdte en de consequenties die eruit volgen.

Paradijs

Is er dan echt geen positief antwoord? Geen plaats waar we tot rust kunnen komen, waar we de wapens neer kunnen leggen? Jawel er is een paradijs ‘in het diepst van ons wezen en als het ware in het ik van het ik; en dan nog is het, om het erin te vinden, noodzakelijk alle paradijzen, de voorbije en de potentiële, bekeken te hebben, ze met de onhandigheid van het fanatisme liefgehad of gehaat te hebben en ze vervolgens met de bekwaamheid van de teleurstelling onderzocht te en verworpen te hebben.’ Cioran weet het zeker, het paradijs bestaat als ‘gunst die alleen is weggelegd voor een paar ‘verworpene’ als beloning voor de instemming met hun eigen ondergang’.