Wie dit leest is gek

Lezen is het ambacht van de filosoof. Van alle manieren waarop mensen boodschappen aan elkaar geven, de spraak (retoriek, vanaf het begin verwant aan het theater), de beeldende kunsten, de dans en podiumkunsten, is het schrift het dichtst doorgedrongen tot ons denken.

Vandaar dat de denker schrijft. Hij schrijft als hij denkt en hij denkt als hij schrijft. Hoewel sommige filosofen het schrijven (als ambacht) nooit helemaal meester worden, (hoewel Machiavelli, Mandeville en Schopenhauer met regelmaat in de literatuurgeschiedenis worden genoemd), is het ambacht van de filosoof lezen.

Dat lezen een ambacht kan zijn, daarvan is de geschiedenis van de filosofie een voorbeeld. Sinds de uitvinding van het schrift heeft iedere eeuw wel een denker voorgebracht die zijn eeuw blijvend overleefde en van wie er nog steeds vertalingen bestaan. Arthur Schopenhauer had zelfs zo’n vertrouwen in de filosofie dat hij in het derde voorwoord van zijn, bij leven vrijwel ongelezen, meesterwerk De Wereld als Wil en Voorstelling,  direct richt tot de volgende generatie. Hij was er zo van overtuigt dat zijn gedachten de boekwinkels in onze tijd zouden halen.

Het ambacht van de filosoof, het lezen, stelt hem in staat zich reflectief op te stellen tegenover wat hij leest. Geen krant of magazine kan hij lezen, zonder dat hem een antropologische vooronderstelling opvalt, een mensbeeld toestraalt of een redeneerfout hem in het oog springt. ‘Van een glas cognac maakt hij nog filosofie’, zei een vriend tegen Jean-Paul Sarte, die daarop naar Duitsland toog om bij deze filosoof, Martin Heidegger te studeren.

En deze Heidegger, die kon lezen. Als Heidegger tachtig jaar oud wordt, geeft Hannah Arendt een toespraak waarin zij spreekt over een storm die ons toewaait vanuit zijn denken die niet van onze eeuw stamt, maar veel ouder is: ‘hij komt vanuit het oeroude, en wat hij achterlaat, is iets onovertroffens dat, zoals al het onovertroffene, in het oeroude een onderkomen vindt’.

Welnu, laat ons twee denken opmerken: ten eerste is het denken van Heidegger vooral bekend door zijn schrijven, en dat kunnen wij alleen kennen door het te lezen. Ten tweede, Arendt moet zelf goed kunnen lezen, om zonder zich te verliezen in goedkope superlatieven, zo’n conclusie te kunnen trekken. Maar dit oeroude, dat Heideggers denken doortrok, is een beïnvloeding van dat denken door zijn levenslange studie van de klassieken, die zijn leermeesters waren. Dáár haalde hij zijn meest fundamentele vraag naar het zijn vandaan die hij betrok op zijn tijd voordat hij Sein und Zeit schreef, het werk dat waarschijnlijk zijn meest beslissende gedachten bevat. Dat is een lezen, een fantastisch lezen. Daarvoor moest Heidegger zich fysiek terugtrekken in zijn berghut, ver weg van het gekakel van het ‘men’ dat hij verafschuwde. Wie graag biografieën van filosofen leest zal het opgevallen zijn dat filosofen vaak niet veel op met de actualiteit, het gekakel, schreeuwerigheid. Zij lezen!

Maar hier spreken wij niet van de herrie, maar over een filosofische plicht. Zit er ethiek in het denken? Is de denker verantwoordelijk voor zijn gedachten? Het is immers zijn ambacht, mogen we er wat verantwoordelijkheid van verwachten? Is hij niet degene die zich uitspreekt over de wereld en haar aard? Wil hij niet de leraar van de mensheid zijn? Moet hij niet ernstig zijn en zich richten op zijn vakgenoten, zijn leraren die hem voorgingen en die zijn denken voortstuwen tot hij zich ervan losmaakte en er zelf een fundamentele nieuwe gedachten over ontwikkeld? En moet hij dan niet dwars door oorlogen (Sartre), burgeroorlogen (Hobbes) Franse (Hegel), industriële (Marx) en culturele (Foucault) revoluties, genocide (Arendt), opgedeelde vaderlanden (Habermas, Gadamer) zijn hoofd koel houden en zijn denken niet laten ontsporen door wat toch nauwelijks ‘de waan van de dag’ genoemd kan worden?

Als het antwoord hierop ja is, dan leg je de filosoof een plicht op. Dan wil je hem later de maat kunnen nemen en hem afwijzen, ook als hij al decennia of zelfs eeuwen dood is. Dat nu echter, veronderstelt dat de er een plichtsethiek van het lezen is. Een plicht tot lezen. Lezen alsof iedere tekst door een tijdgenoot geschreven is. Dit nu is misschien de hoogste ambachtelijkheid van de filosoof. Filosofie lezen, hoe oud ook, alsof het van een tijdgenoot kwam.

Er zijn denkers die dit kunnen. Jacques Ranciere’s reageert als door een bij gestoken door Hannah Arendt. Hij verwijt haar dat zij de mensenrechten depolitiseert, met haar Aristoteliaanse onderscheid tussen zoë en bios politicos, tussen zij die in de gemeenschap staan, en zij die er buiten staan. Volgens Ranciere is het ‘menselijke’ te vinden in het meest fundamentele politieke onderscheid: hij die gekwalificeerd is voor het uitoefenen van publieke macht, en hij die dat niet is, en veroordeeld is tot onzichtbaarheid en stilte, gezeten in uitzichtloze baantjes van waaruit een publieke stem onmogelijk is.

Voor Ranciere gaat Arendt, die toch niet verdacht kan worden van al te aristocratische trekjes, nog niet ver genoeg. Zij had moeten inzien dat ieder mens, hoe onzichtbaar zijn bestaan ook moge zijn, vanuit gelijkwaardigheid de potentie heeft om (goedschiks of kwaadschiks) een stem, en dus een zekere (of grote) politieke invloed te krijgen. Zoals bijvoorbeeld Frederick Douglas (1818 – 1895)., een geboren slaaf die de uitvinder werd van de term: self-made man. Ranciere’s werk vertoont onophoudelijk aanvallen op Plato. Hij ziet Plato als degene die het onderscheid tussen mensen voor een en voor altijd gefundeerd heeft in zijn filosofie. Niet eens met een argument, maar met de mythe van de drie metalen, die wil dat de mensheid is opgedeeld in drie menstypen, waarvan alleen de zij die weten (de filosoof) het recht hebben om het leven van anderen in de gemeenschap te bepalen.

Dergelijke gedachten zouden hun invloed niet kunnen behouden zonder het schrift. En dergelijke kritiek zouden nooit in het hoofd van een mens opkomen, als er niet iemand was die zo af en toe een voetnoot bij Plato zou kunnen plaatsen, ook al staat er in die voetnoot: ‘wie dit leest is gek’.

Om gek te worden zo eenzaam

 

 

Een vrouw alleen in huis in een klein dorp eind jaren zestig. Buiten is een culturele revolutie in volle gang, maar in deze uithoek van Oostenrijk is daar niets van te merken. De hoofdpersoon van Marlen Haushofers De mansarde heeft zich afgewend van de wereld. Dat de roman, pas onlangs herontdekt, niettemin een succes werd, is dan ook niet te danken aan de feministische lezing van destijds maar aan het thema. Het boek is een artistiek antwoord op de marteling van de eenzaamheid. Door leonhard de paepe.

N.B. Lees ook de voorpublicatie van Wij doden Stella.

De mansarde is het relaas van een huisvrouw die een teruggetrokken bestaan leidt, gevuld met huishoudelijk werk en de zorg voor haar man Hubert. Haar zoon Ferdinand is al enige tijd de deur uit en is tevreden. Van het jongere zusje Ilse wordt weinig notitie genomen. Het valt moeder op dat het een vrolijk meisje is. ‘Het is voor Ilse heel goed dat we haar niet echt nodig hebben en niet onbehoorlijk sterk aan haar gehecht zijn. Ilse behoort niet tot de binnenste cirkel.’ De hoofdpersoon is simpelweg te zeer met zichzelf bezig om zich echt in te leven in anderen.

Daarbij: niets lijkt zich bij haar op enige zinvolle wijze in te voegen in het narratief waarmee mensen hun identiteit opbouwen. In de avond trekt zij zich terug op de zolderkamer (de mansarde). Daar tekent zij dieren. Haar enige ambitie is om een vogel te tekenen die eruit ziet alsof het een besef heeft van het bestaan van andere vogels. Maar alle vogels blijven eenzame wezens, net als de hoofdpersoon wier leven steeds aan iedere zin lijkt te onttrekken. De aanloop naar de eerste ontmoeting met haar man leek al evenzeer van willekeur te getuigen: ‘Ik heb Hubert op een feestje leren kennen. Er was iemand afgestudeerd die Kranawettreiser heette; en alleen omdat ik me heel wat voorstelde bij die naam, ging ik erheen.’ Alleen daarom.

Door haar vele eenzame uren boven heeft ze te veel tijd om na te denken, te malen. En die gedachten, daar gaat het om. Als op een dag gele enveloppen in de bus vallen, waarin haar oude aantekeningen uit een vergeten periode in haar leven staan, ontspoort de toch al precaire geest van de vrouw. De vraag wie deze aantekeningen ooit gestolen heeft en waarom ze worden teruggestuurd, drijft de vrouw steeds dieper in gedachten over haar leven.

Als na een paniekaanval de vrouw ook nog doof wordt, volgt de lezer een odyssee door de geest, een spiraal van steeds wonderlijker gedachten die langzaam raken aan de grenzen van de waanzin. ‘Je kunt heel ongemerkt in een monster veranderen. Een deel van jezelf is al veranderd, het andere deel zit bevend in zijn zwarte hol en wordt langzaam gek van angst.’ En elders: ‘Hubert is op mijn verzoek met kerst niet hier geweest. Dat is mijn kerstcadeau voor hem.’ Misschien zijn zulke gedachten alleen mogelijk in eenzaamheid, misschien is alle kunst geboren als poging om heel intieme ervaringen te delen, als een poging om niet gek te worden. Heel wat goede schrijvers hebben dit thema onderzocht. Om er maar twee te noemen: J.M. Coetzee met In het hart van het land (1985) en Jean Paul Sartre met Walging (1938). Sartre maakte de eenzame verbeelding zelfs tot de kern van zijn concept van vrijheid.

De mansarde kan zich meten met deze twee gevaarlijke boeken. Gevaarlijk omdat ze ver gaan in de eenzame diepten van de menselijke psyche. Het onderduiken in de verbeelding en het rijke gevoelsleven op de eenzame zolder is niet zonder gevolgen voor protagonist én lezer. Terugkeer in de sociale wereld toont dat vrijwel alle gesprekken van mensen eenrichtingsverkeer zijn. Die willen niet meer dan op verhaal komen, door roddel en kletspraat consensus vinden, niemand is werkelijk geïnteresseerd in het gevoelsleven van de hoofdpersoon. Ook in gezelschap is de eenzaamheid blijvend. Bij Haushofer is er geen catharsis of troost. Wie zich helemaal aan haar uitlevert, en zich opsluit in deze roman, kan meegezogen worden naar de ijzige diepten van de eenzame verbeelding. Vraag je af of je sterk genoeg bent om terug te keren.

Leonhard de Paepe studeerde aan de kunstacademie en is filosoof. Hij is docent Esthetica aan de de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten in Den Haag (KABK).

Lezen is zelfverlies, leven ook

Het kan niet helemaal toeval zijn dat Neerlands ‘premier lecteur’, Ger Groot zich zo intensief heeft beziggehouden met de figuur van Don Quichot. Quichot kon namelijk het onderscheid tussen literatuur en werkelijkheid niet maken. Dat onderscheid blijkt veel moeilijker dan gedacht. In zijn oratie ‘vergeten te bestaan’, geeft de bijzonder hoogleraar tekst en uitleg.

In zijn oratie poogt Groot grip te krijgen op de complexe verwevenheid tussen realiteit en fictie en daarvoor blijken Don Quichot het geesteskind van Miquel de Cervantes’, de aartsvader van de Europese romankunst en de roman Niebla van de Spaanse schrijver Miguel de Unamuno twee belangrijke gestalten te zijn.

Unamuno laat een personage zich afvragen of wat hij meemaakt nu werkelijkheid is of fictie. Aan het slot van Niebla legt de hoofdpersoon zelfs een bezoek af aan de schrijver. Unamuno schrukt zo dicht tegen het probleem van de realiteit van de roman aan, dat hij zichzelf – als schrijver – soms dreigt te ontmaskeren. Dat dit niet gebeurt interesseert Groot mateloos. Ook De Cervantes voert zichzelf als ‘een naamloze ‘ik, de schrijver’’ ten tonele in het verhaal. ‘Hij’ vindt het manuscript van de roman op de markt, en laat dat ook Cervantes en Sancho Panza onder ogen krijgen. Zij ontdekken verbaasd dat zij romanfiguren zijn geworden, en vragen zich af of hen wel recht is gedaan met de fictionalisering.

Dat spel, van realiteit in fictie en fictie in realiteit blijkt veel complexer dan het zogenaamde ‘willing suspension of disbelieve’; het tijdelijk ‘doen alsof’ literatuur werkelijk is kan verklaren. De boute scheiding tussen ware wereld en verbeeldingsvolle fictie is te grof, meent Groot.

Onder verwijzing naar Patricia de Martelaere stelt Groot dat fictie ons emotioneel vaak gemakkelijker beroerd dan de werkelijkheid. Het geluk lijkt echter in boeken, en het leed roert ons vaak tot tranen, waar we het in de werkelijkheid niet eens opmerken.  ‘Juist het niet-echte van het fictionele feit geeft ons ruimte om daarin helemaal op te gaan, met een betrokkenheid en emotie die van haar kant onvervalst echt is: daarover is in ieder geval geen twijfel mogelijk.’ Het draaipunt van werkelijkheid en fictie blijkt in de lezer te liggen. Het is de lezer, die het wereldse ‘ik’, achter zich laat en zonder moeite zich overgeeft aan de fictionele werkelijkheid, of liever, hij constitueert zijn ik IN de roman.

Dit doordenkt Groot Sartriaans. Wat is het ik? Sartre hield het ik voor een ‘virtuele haard van eenheid’. Het bestaat niet als het materiële snijpunt waarop externe impulsen samenkomen, maar het bestaat slechts áls die bundeling. En die ‘behoeft niet te berusten op enige materiële realiteit in zich. Binnen deze verhouding kan de werkelijkheid van de fictie een echte realiteit worden en kunnen wij de personages daarin ervaren als wezens die wij echt kunnen liefhebben of haten. Niet op grond van wat wij ons verbeelden, maar op grond van wat zij zijn.’

Dit gegeven is niet zo ingewikkeld als het lijkt. Iedereen die films als Avatar en The Matrix zelfs maar kunnen begrijpen, hebben deze realiteits-switsch en het benodigde ik-verlies meegemaakt. Het leven zelf laat ons doorlopend ons ‘ik’ vergeten.

Uiteindelijk erkent Groot, dat het mysterie van de literatuur zich altijd weer onttrekt aan rationele analyze. ‘De filosoof wil het raadsel begrijpen, of in ieder geval verhelderen: hoe kan fantasie echter zijn dan de werkelijkheid? Dat vraagt de lezer zich af wanneer de filosoof in hem zich ermee gaat bemoeien. Misschien maakt hij het raadsel daarmee alleen maar groter, zoals Harry Mulish heeft opgemerkt. Maar erg is dat niet, zo kunnen we eraan toevoegen: het raadsel vergroten is nu precies de taak van schrijvers en filosofen.’

Om je dood te lachen

graf_wOver humor in de filosofie is nauwelijks geschreven. Over de dood des te meer. Volgens Arthur Schopenhauer, vervent tegenstander van leedvermaak, is de dood zelfs de eigenlijke genius van de filosofie.  Is het verwonderlijk dat Maarten Doormans Denkers in de grond, een boek waarin nu eens wel veel te lachen valt, gaat over de dood, vraagt leonhard de paepe zich af voor Athenaeum

De voor de filosofie benodigde verwondering lijkt vooral te ontspringen aan de poging om alles ernstig te nemen. Er zijn weinig lachebekjes in de filosofie. Alleen de Franse filosoof Jacques Derrida permitteerde zich af en toe een grapje – hij citeerde ooit de gehele kritiek van John Searle, om te bewijzen dat ieder spreken citeren is. Searle kon daat niet om lachen en liet de publicatie tegenhouden met een strijd om copyright. Bergsons studie over het onderwerp is de lach toch vooral een emotie van sociale in en uitsluiting.

Het is inderdaad opvallend dat filosofen iets hebben met grafstenen en galgen(humor). Als bloedserieus student was ik ooit getuige van een op vakantie gemaakte homevideo van filosoof Henk Oosterling die zich in het zwart gekleed liet fotograferen gezeten op het graf van Michel Foucault begeleid door het lied: Killing in the Name van Rage against the machine. Dat vond hij wel lachen. Ook Doorman laat zich in dit selecte gezelschap van lachers in de filosofie niet onbetuigd. In Denkers in de grond staan de teksten en foto’s van de graven van grote geesten die cultuurfilosoof Maarten Doorman samen met Fredie Beckmans wekelijks op de achterpagina van NRC Handelsblad publiceerde. De daarmee samenhangende dollemansritten door heel West-Europa beschrijft hij in niet eerder gepubliceerde smakelijke teksten vol drank, cafébezoek en sprekende doden.

Doorman strooit talloze wederwaardigheden over de dood van onsterfelijke denkers  uit over de bladzijden van dit boek. Met gevoel voor ironie stelt hij vast dat op een bewolkte dag in Edinburgh juist die ene zonnestraal op het mausoleum van David Hume valt. Het mag géén wonder heten. De denker had zich immers een leven lang beijverd om het bestaan van wonderen te bestrijden. Het was dus toeval.

Sowieso blijkt de grafmode van denkers nogal eens ironisch uit te vallen. Nietzsche, de filosoof met de hamer, die de brute levenswil radicaal omarmde,  blijkt in totale verstilling naast de kerk te liggen in het gehucht Röcken waar hij in 1844 geboren werd, terwijl Heideggers eeuwige rust wordt verstoord door voorbijrazend vrachtverkeer. ‘Zelfs de gelatenheid van de dood legt het af tegen het alomtegenwoordige van de door Heidegger levenslang zo filosofisch bekritiseerde techniek.’

Van Descartes weet Doorman dat hij zestien jaar nadat de moderne uitslaper in het Lutherse Zweden bij de piepjonge koningin Christina het leven liet naar Parijs gehaald werd zonder zijn rechter wijsvinger en zijn hoofd: ‘Vooral dat laatste is bizar’, stelt Doorman ‘bij iemand die zelf van een koningin verlangd had haar hoofd er steeds bij te houden.’ Bentham zit in een kast op de gang van het University College te London. Ook zonder hoofd. Dat is er bij het prepareren afgevallen. ‘Geruchten willen dat studenten inbraken en ermee voetbalden.’ Vermeldt Doorman niet zonder leedvermaak. Poppers dood vat Doorman op als de falsificatie van onsterfelijkheid en Adam Smith ‘de Darwin van de economie en de founding father van het kapitalisme’, ligt in een graf dat is opgeknapt en gesponsord door de bank. Zo gaat dat met kapitalisme, het eert haar heiligen niet met gebed, maar met geld.

Misschien ligt het eraan dat filosofen zo met het eeuwige bezig zijn dat ze als de dood zijn voor het tijdelijke. Hoe het ook zij, Doormans zwierige pen en ontdekkingsreizen langs de graven van Europa’s groten zijn aanstekelijk geestig. Dit is humor van jongens van vijftig. Doorman’s Denkers in de grond: humor over het graf van de onsterfelijken. Voor wie na alle ernst ook eens wil lachen.