Het harde leven na de academie

Op de kunstacademie bestorm je zorgeloos de hemel, maar dan is het flierefluiten voorbij. Ook kunstenaars moeten zakelijk zijn.

Kunstenaars worden doorgaans niet rijk. Toch melden jaarlijks vele honderden studenten zich aan op de kunstacademies. Een ogenschijnlijke paradox die econoom en kunstenaar Hans Abbing inspireerde tot het boek ’Why are artists poor?’ Voor kunstenaars is welzijn belangrijker dan materiële welvaart, lijkt het wel. Toch is er steeds meer aandacht voor zakelijke scholing op de Willem de Kooning academie in Rotterdam.

„Toen ik studeerde, kon je niet eens over de zakelijke kant van het kunstenaarschap beginnen”, zegt Karin Arink, verantwoordelijk voor de lessen zakelijke scholing. „Nu is dat anders. We doen meer aan beroepsoriëntatie dan ooit.”

Zelf kunstenares, ziet Arink het belang in van kunstenaars die zakelijk slagvaardig zijn. „En dat is nodig ook, want de positie van kunstenaars verslechtert zienderogen. In het eerste jaar is er daarom nu al beroepsoriëntatie.”

Arink behandelt praktische zaken als belasting, acquisitie, schriftelijke communicatie. „Velen willen de verantwoordelijkheid niet dragen. Vroeger sloten we nog wel eens welwillend de ogen voor zulke studenten omdat er vaak wel creatieve geesten bij zitten die een hele klas artistiek kunnen meetrekken. Nu niet meer. Als je niet komt opdagen, krijg je een onvoldoende.” Je kunt nietsontziend de hemel bestormen, maar dat maakt het leven na de academie niet minder reëel.

Niet iedereen ervaart de tijd na de academie als problematisch. Jasper de Gelder (28): „Ik leefde op de academie van niks, en nu nog. Er is na je afstuderen geen hond die je vertelt wat je moet doen. Dat was op de academie ook al zo. Je hoorde over de Wwik (Wet werk en inkomen kunstenaars) en beurzen, verder niks. Dat maakt ook niet uit, echte volhouders komen er toch wel. Hoe zouden ze je ook kunnen voorbereiden? Alles aanreiken op een presenteerblaadje? Nee, de periode na de academie is een test voor je karakter.”

De Gelder had geluk: hij kreeg snel exposities. Ook kon hij nog een half jaar in het atelier van de academie actief blijven. „Ik ging na mijn afstuderen dus op dezelfde voet verder, ik heb er nooit één seconde over nagedacht of ik wel of niet zou doorgaan.”

Roos Versteeg (29) vertrok met haar vriend Gert-Jan naar Berlijn. Na haar studie hield de financiering op en zat ze thuis te kniezen. „Als je je perspectief verandert, opent dat nieuwe mogelijkheden, dacht ik. Op dat moment leek Berlijn alle mogelijkheden te hebben en Nederland geen enkele. Nederland is heel erg veranderd. Mijn ouders waren van de generatie die dacht: alles kan en alles mag, maar dat is niet meer zo. Rotterdam is een keiharde stad.

„In Berlijn werd het moeilijk. Mijn vriend draaide soms nachtdiensten van veertien uur, ik werkte in een keuken. Ik liep daar tegen een studie theoretische vorming aan de Kunsthochschule aan. Daar leerde ik mensen kennen en ik ging weer projecten doen. Mijn vader betaalde gelukkig mijn studie. Dat was ook nodig.”

Nu gaat het haar beter. „Mijn vriend werkt bij een Engelse kunstenares en ik ben bijna afgestudeerd. In Duitsland zijn ze wel gevoeliger voor titels”, lacht Versteeg. „Ik wil niet weer in een gat vallen, maar ik heb het gevoel dat ik nu mijn talenten heb ontwikkeld. Daar hoort met mensen omgaan ook bij.”

De realiteit van de kunstwereld blijkt veel diverser dan Versteeg dacht. Het perspectief van de kunstacademie was beperkt. „Het was er leuk, maar er was te weinig theorie. Als kunstenaar moet je veel leren. Pas na een lange weg weet je wat je wilt. Dat was met Mondriaan niet anders. Op de kunstacademie werd de autonomie van de kunstenaar doodleuk als uitgangspunt genomen. Nee! Je moet eerst verzamelen, verzamelen, verzamelen. Ik cirkel in steeds nauwere kringen om datgene wat ik kan en wil.”

Jelle Ris (27) koestert andere herinneringen. „Wat ik leuk vond aan de academie was de totale focus op kunst. Ik behoorde zeker tot de mensen die geen verantwoordelijkheid wilden nemen voor het leven ná de academie. Ik deed van alles: gedichten, performances, internetspeurtochten, verzamelingen aanleggen, tekenen, filmpjes maken en tekstcollages.”

Hij werd een maand voor zijn afstuderen afgewezen voor De Ateliers, een gerenommeerde postacademische instelling die aankomende kunstenaars een atelier biedt plus kritische begeleiding door kunstenaars. Kunstenaar Erik van Lieshout spande zich in voor Ris en ook Marlene Dumas wilde hem toelaten. „Helaas vond de directeur mijn werk nog te ongericht en mij te jong.”

Dus nam Ris een baan op een school voor moeilijk opvoedbare kinderen in Rotterdam waar hij nog steeds werkt. „Een jaar na de afwijzing belde Erik (van Lieshout) me weer: ’Hee, je kan het weer proberen bij De Ateliers, over een week is de deadline.’ Dat lukt natuurlijk niet in zo’n korte tijd. Ik heb er dan ook van af gezien.”

Na de academie vond hij dat hij intellectuele bagage miste. „Het leek me een uitdaging om in de achterbuurten van een grote stad te werken. Het werk is geweldig. Ik zei tegen mezelf: ’Jelle, geniet gewoon eens van het niets met kunst doen. Ik moet zoveel van mezelf.” Toch blijft Ris gedreven. „Ik heb het nog steeds niet opgegeven. Mijn verzamelingen groeien nog. Ik maak dezelfde idiote tekeningen met mijn leerlingen. Dat vinden ze fantastisch.”

Maar het blijft lastig samengaan, kunst en economie. Het is een spanningsveld waar ook kunstacademies mee worstelen. „Enerzijds”, zegt directeur Richard Ouwerkerk, „nemen we studenten op sleeptouw langs instituties en ervaringsdeskundigen, anderzijds willen we studenten niet pamperen.

We geven begeleiding aan studenten die na de academie alsnog met vragen over hun zakelijke vorming komen. Sommige hebben de confrontatie met de realiteit nodig.” Ouwerkerk wijst er ook op dat het percentage werkloosheid onder oud-studenten weinig zegt. Kunstenaar is een vrij beroep, je hoeft je niet te scholen om je kunstenaar te mogen noemen.

Docent Jan van den Langenberg neemt zelf jonge talenten op sleeptouw door ze te betrekken bij zijn projecten. „Vroeger ging je voor de galerie wachten tot je aan de beurt kwam of niet. Nu gaat het anders. Beeldende kunst kan steeds meer bestaan door de waarde van de creativiteit die overal in de economie gezocht wordt. Niet kunst als het exclusieve bezit van de individuele kunstenaar, maar als een innovatieve kracht. Meer gericht op communicatie. Dat doe je het best daar waar de verschillen bij elkaar komen en niet op de zolderkamer.”

De lessen van Arink worden slecht bezocht en er is ook geen lesboek. „Ik haal mijn informatie van het CBK (Centrum Beeldende Kunst), de belastingdienst en Kunstenaars en co, een organisatie die kunstenaars zakelijk ondersteunt. Sommige studenten blijken er gewoon niet aan toe te zijn. Wij moeten slimmer worden, want zonder kunstenaars, geen kunst. Ik raad studenten aan om tijdens hun studie al onbetaalde stages te gaan doen bij musea om werkervaring op te doen. Ik moedig ze aan om subsidieaanvragen te doen. Helaas zijn studenten toch vaak te trots en willen ze ten koste van alles hun autonomie beschermen. Met die houding blijf je in de praktijk toch vaak achter met niets.”

(Trouw 2009)