Citaat van de dag

‘Nietzsche volgend, geloof ik dat de waarheid in termen van oorlog begrepen moet worden. De waarheid van de waarheid, dat is de oorlog. Het geheel van processen waardoor de waarheid de zege behaalt zijn machtsmechanismes die har de macht verzekeren’ (MFE: 134-136)

De moed tot waarheid

De laatste jaren van Michel Foucault (1926 – 1984) zijn met een waas van mysterie omhuld. De moed tot waarheid – een verzameling colleges van Michel Foucault over het waarheidspreken is een sleutel tot het begrip van deze denker. In de opvallend goed leesbare bundel krijgen we een inkijkje in diens laatste filosofische krachtinspanningen voor hij in 1984 stierf aan aids. Foucault spreekt hier over de veelbesproken activiteit van de parrhesia.

De filosoof die macht thematiseerde en het subject als effect van een discours zag, haalt in zijn laatste jaren inspiratie uit kunstenaars die de grenzen van de rede tot het uiterste rekken. Hij verdedigt grensoverschrijdend irrationalisme (transgressie) en van hieruit ontstaat zelfs enthousiasme voor de figuur van Ayatollah Khomeini en de revolutie in Iran (1979). Het hangt samen met zijn wending naar de levenskunst. In Nederland schreef Joep Dohmen in 2002 erover in Over levenskunst. De grote filosofen over het goede leven.

In zijn colleges, die de laatste jaren in vertaling uitkomen, werkte hij echter koortsachtig aan een nieuwe weg in de filosofie. De beroemdste daarvan is misschien zijn werk over de ParrhesiaDe moed tot waarheid.  De colleges die zo goed als woordelijk zijn overgenomen – inclusief opmerkingen over de krappe behuizing in de zaal, overleg over de koers van het college etc. – tonen een vitale Foucault. Iemand die graag naast (en niet boven) zijn studenten wil staan. Iemand dus die wil denken, en zijn toehoorders uitnodigt om hetzelfde te doen. Het komt echter nauwelijks tot discussie, omdat men op het puntje van zijn stoel moet zitten om de meester te volgen.

Foucault vertelt zijn toehoorders over vier praktijken van waarheidsspreken die de Grieken onderscheidden. Er is de waarheid van de leraar die een vak uitlegt (techne / instructie), dan is er de waarheid van de profeet, die de wereld beschouwt in het ligt van de eeuwigheid, en daardoor uitspraken kan doen over het lot. Hij verkondigt zijn waarheid. De derde modaliteit van het waarheidspreken is die van de wijsheid. De wijze spreekt over het zijn. De wijze spreekt wanneer hij wil en is soms raadselachtig. De vierde modaliteit van de waarheid is de parrhesia.

De parrhesia is een vrijmoedig waarheidsspreken. Zij is niet zonder gevaar. De parrhesiast zegt namelijk de waarheid vrijuit, zonder raadselen en zonder rekening te houden met de sociale hiërarchie. Niet zelden leidde dit tot excommunicatie uit de polis. De figuur van Socrates is hiervan het bekendste voorbeeld. Zijn waarheidsspreken leidde ertoe dat hij tot de gifbeker veroordeeld werd. Dit waarheidsspreken heeft drie polen: aletheia (waarheid), politeia (bestuur) en etho-poiesis (de vorming van het ethos of van het subject). De parrhesia is dus een levenshouding.

Zorg voor het zelf

Deze laatste dimensie hangt samen met de ‘zorg voor het zelf’. Socrates’ levenswerk, het zoeken naar de waarheid, is – zo toont Foucault – een reactie op een uitspraak van het Orakel van Delphi. Deze heeft hem namelijk de wijste van alle Grieken genoemd, en Socrates wil weten waarom dit is. Als hij de wijste is, wat is het dan dat hij weet of doet dat zo wijs is? Dit type vragen leidt tot het bevragen van de burgers van Athene. Het accepteert niet simpelweg ‘wat er gezegd wordt’, maar wil begrijpen. Het leidt ertoe dat bestaande zekerheden onhoudbaar worden. Het is dus een politieke daad, het vergt moed, en het verraad een houding van oprecht zorg om het zelf (scherp onderscheiden van egoïsme). Het is een vorm van interesse en het is een ethische houding, en mogelijk de geboorte van een specifiek waarheidsdiscour dat we kennen als: filosofie.

Foucault houdt echter niet stil bij Socrates. Hij toont hoe de parrhesia verweven is met de traditie van de cynici en doorwerkt tot in de middeleeuwen, en zelfs een opleving kent in zijn tijd. Grappig is dat hij daarbij verwijst naar een boek van ‘iemand die Sloterdijk heet en de plechtige titel Kritik der zynischen Vernunft draagt’. Het gaat daarbij om niemand minder dan de inmiddels wereldberoemde Peter Sloterdijk.

Het lijkt erop alsof Foucault na zijn deconstructie van de macht, in zijn laatste jaren op zoek is naar een nieuwe positieve levenshouding voor de 21e eeuw. Eentje die zich losmaakt van de bestaande machtsstructuren en experimenteert met het zelf. Een moediger levenshouding, die in de westerse traditie van het denken op de achtergrond is geraakt, maar waarvan Foucault de sporen al zoekend in de traditie naar voren haalde. De Foucaultreceptie is niet compleet zonder de colleges van Foucault.

Om je dood te lachen

graf_wOver humor in de filosofie is nauwelijks geschreven. Over de dood des te meer. Volgens Arthur Schopenhauer, vervent tegenstander van leedvermaak, is de dood zelfs de eigenlijke genius van de filosofie.  Is het verwonderlijk dat Maarten Doormans Denkers in de grond, een boek waarin nu eens wel veel te lachen valt, gaat over de dood, vraagt leonhard de paepe zich af voor Athenaeum

De voor de filosofie benodigde verwondering lijkt vooral te ontspringen aan de poging om alles ernstig te nemen. Er zijn weinig lachebekjes in de filosofie. Alleen de Franse filosoof Jacques Derrida permitteerde zich af en toe een grapje – hij citeerde ooit de gehele kritiek van John Searle, om te bewijzen dat ieder spreken citeren is. Searle kon daat niet om lachen en liet de publicatie tegenhouden met een strijd om copyright. Bergsons studie over het onderwerp is de lach toch vooral een emotie van sociale in en uitsluiting.

Het is inderdaad opvallend dat filosofen iets hebben met grafstenen en galgen(humor). Als bloedserieus student was ik ooit getuige van een op vakantie gemaakte homevideo van filosoof Henk Oosterling die zich in het zwart gekleed liet fotograferen gezeten op het graf van Michel Foucault begeleid door het lied: Killing in the Name van Rage against the machine. Dat vond hij wel lachen. Ook Doorman laat zich in dit selecte gezelschap van lachers in de filosofie niet onbetuigd. In Denkers in de grond staan de teksten en foto’s van de graven van grote geesten die cultuurfilosoof Maarten Doorman samen met Fredie Beckmans wekelijks op de achterpagina van NRC Handelsblad publiceerde. De daarmee samenhangende dollemansritten door heel West-Europa beschrijft hij in niet eerder gepubliceerde smakelijke teksten vol drank, cafébezoek en sprekende doden.

Doorman strooit talloze wederwaardigheden over de dood van onsterfelijke denkers  uit over de bladzijden van dit boek. Met gevoel voor ironie stelt hij vast dat op een bewolkte dag in Edinburgh juist die ene zonnestraal op het mausoleum van David Hume valt. Het mag géén wonder heten. De denker had zich immers een leven lang beijverd om het bestaan van wonderen te bestrijden. Het was dus toeval.

Sowieso blijkt de grafmode van denkers nogal eens ironisch uit te vallen. Nietzsche, de filosoof met de hamer, die de brute levenswil radicaal omarmde,  blijkt in totale verstilling naast de kerk te liggen in het gehucht Röcken waar hij in 1844 geboren werd, terwijl Heideggers eeuwige rust wordt verstoord door voorbijrazend vrachtverkeer. ‘Zelfs de gelatenheid van de dood legt het af tegen het alomtegenwoordige van de door Heidegger levenslang zo filosofisch bekritiseerde techniek.’

Van Descartes weet Doorman dat hij zestien jaar nadat de moderne uitslaper in het Lutherse Zweden bij de piepjonge koningin Christina het leven liet naar Parijs gehaald werd zonder zijn rechter wijsvinger en zijn hoofd: ‘Vooral dat laatste is bizar’, stelt Doorman ‘bij iemand die zelf van een koningin verlangd had haar hoofd er steeds bij te houden.’ Bentham zit in een kast op de gang van het University College te London. Ook zonder hoofd. Dat is er bij het prepareren afgevallen. ‘Geruchten willen dat studenten inbraken en ermee voetbalden.’ Vermeldt Doorman niet zonder leedvermaak. Poppers dood vat Doorman op als de falsificatie van onsterfelijkheid en Adam Smith ‘de Darwin van de economie en de founding father van het kapitalisme’, ligt in een graf dat is opgeknapt en gesponsord door de bank. Zo gaat dat met kapitalisme, het eert haar heiligen niet met gebed, maar met geld.

Misschien ligt het eraan dat filosofen zo met het eeuwige bezig zijn dat ze als de dood zijn voor het tijdelijke. Hoe het ook zij, Doormans zwierige pen en ontdekkingsreizen langs de graven van Europa’s groten zijn aanstekelijk geestig. Dit is humor van jongens van vijftig. Doorman’s Denkers in de grond: humor over het graf van de onsterfelijken. Voor wie na alle ernst ook eens wil lachen.