Van Nasser tot Mubarak… en terug?

Achttien dagen duurde het. Op ‘de dag van de woede’, 25 januari 2011 trokken losjes georganiseerde groepen jongeren aangevoerd door de ‘6 april beweging’ en de ‘Wij zijn allen Khaled Saïd-groep’, naar Tahrir Square. De wereld hield keek ademloos mee via Al-Jazeera, youtube, blogsites en zag dat Mubarek viel. Wat nu?

De Egyptische econoom Tarek Osman (1975) schreef met Egypte, een geschiedenis van Nasser tot Mubarak een verhelderend narratief. Met vaardige hand legt hij het politieke krachtenveld bloot achter de recente gebeurtenissen. De salafisten, islamisten en de broederschap aan de ene kant, de liberale islamieten, de christelijke Kopten, de jonge cosmopolieten zijn de uitkomst van een bewogen en complexe geschiedenis van Nasser tot Mubarak.

Nasser

Gamal Abdel Nasser (1917 – 1970) wordt in de Arabische wereld gezien als een van de grootste Arabische leiders in de geschiedenis. Op 23 juli 1952 kwam hij na een geweldloze staatsgreep aan de macht, waarbij hij de ‘playboy-koning’ Faroek afzette en de republiek uitriep. Daarmee kwam een einde aan het ‘Parijs aan de Nijl’, het op Europa gerichte Egypte en begon het seculiere Arabisch nationalisme. Nasser bracht Egypte zelfstandigheid en voerde een seculier beleid. Hij omarmde de Islam als beschavingskader, maar hield het buiten de politiek. Daarmee nam hij de Egyptische christenen voor zich in. Een ‘briljante balanceeract’, aldus Osman. De dood van sjeik Hassan al-Banna bood Nasser een buitenkans om de moslimbroederschap af te schaffen, en belangrijke leden te verbannen of op te sluiten. Het Arabisch nationalisme richtte zich op de Arabische identiteit en niet de religieuze identiteit.

Nasser kende grote triomfen, zoals de landhervorming die duizenden boeren een betere toekomst gaf. Zijn hoogtepunt was de alliantie met Syrië. Nasser was het gezicht van Arabische hoop en trots in het post-koloniale Midden-Oosten. De glorie van het Arabisch nationalisme kwam hard ten einde in de zesdaagse oorlog in 1967. Drie kwart van het Egyptische leger werd in een week vernietigd door Israel. Deze vernedering maakte een eind aan de hoop van miljoenen Arabieren.

Sadat

Na Nassers dood in 1970 was het Arabisch nationalisme al dood. Anwar Sadat (1918 – 1981) trad aan en voerde een islamistische koers. Eind jaren 70 kende een opleving van religieuziteit waar Sadat schijnbaar op inspeelde. Echter hij brak met de Sovjet-Unie om van Egypte een trouwe bondgenoot van de VS te maken en voerde Egypte weg van een centraal geleide economie naar een vrijemarktkapitalisme. De Camp-David akkoorden tussen Egypte en Israel in 1978 werden geacht ‘een tijdperk van vrede in te luiden, maar werden door miljoenen juist gezien als ‘verraad aan de miljoenen die in de Sinaï gestorven waren’ en de belichaming van een ‘nationale vernedering en schande’, schrijft Osman.

Op 6 oktober 1981 bleek het complexe spel van Sadat failliet. Hij werd op een militaire parade vermoord door leden van de Egyptische Islamitische Jihad. Zo wreekte de vernedering van de Zesdaagse Oorlog zich dus op Sadat en de stabiliteit in de regio.

Mubarak

Hosni Murabak (1928) die naast Sadat zat bij de aanslag, kwam aan de macht. De eerste jaren kende hij een zeker succes. De beschrijving van Osman, doet denken aan het optreden van iemand als Gordon Brown. Een pragmatische manager zonder charisma met weinig gevoel voor ceremonie en nauwelijks retorische begaafdheid. Osman beschrijft hoe Mubarak Egypte in het globalistische kapitalisme onderbracht. Mubarak bracht hervormingen die toch ‘nooit in de buurt kwamen van de ‘structurele hervormingen’ waarop het Internationale Monetaire Fonds (IMF) herhaaldelijk had aangedrongen.’ (190) De plannen zouden echter ongekend hard uitpakken voor de levensstandaard van de lagere inkomensgroepen. Leningen waren de enige oplossing.‘Het Egyptische regime had dringend behoefte aan financiële hulp op de korte termijn en was in 1991 gedwongen de voorschriften van de IMF te aanvaarden.’ Het resultaat was hetzelfde als in alle kapitalistische landen: ‘snijden in de sociale voorzieningen, pensioenen en essentiële subsidies’, een steeds sneller groeiende kloof tussen straatarm en schatrijk, een versmelting van macht en rijkdom, en golven van privatisering van staatsbedrijven die de onderklasse afsloot van cruciale diensten zoals elementaire gezondheidszorg en educatie.

Schokkende armoede dwong miljoenen in uitzichtloze situaties, zelfs hun organen te verkopen om in leven te blijven. ‘de armen zijn de organen van de rijken’, schrijft Osman. De econoom somt de cijfers op: 40% van de rijkdom van het land was in handen van 5% van de bevolking, 45% van het totale vermogen in de markt was in handen van minder dan 20 families. Net als in Chili, Rusland, Argentinië, en sinds 10 jaar ook de westerse landen, was repressie en dwang de enige manier om opstanden te onderdrukken. De Egyptische staatsmedia zongen lof van ‘het einde van de geschiedenis’ en loyaliteit aan het Anglo-Saksische Kapitalisme.

Geen wonder dat de moslimbroederschap enorm aan macht kon winnen in de steeds meer lagen van de bevolking die door Mubarak aan hun lot overgelaten werden. En Mubarak zelf overkwam hetzelfde als westerse leiders in de afgelopen twee decennia overkwam ‘van de man Egypte regeerde, werd hij de hoogste gezagdrager in een nieuwe machtstructuur die werd gedomineerd door enkele van Egyptes machtigste financiële instellingen.’

Toen op 29 januari dit jaar het moment aanbrak dat de overleving van Mubarak’s presidentschap afhing van de militaire bereidheid het vuur te openen op meer dan een miljoen mensen, weigerde het leger dat resoluut.

En verder…

Zo schetst Osman, de geschiedenis die leidde tot de revolutionaire gebeurtenissen van 2011. Opvallend is dat hij blind is voor de parallel met de jongerenopstand in Portugal, Griekenland en Spanje, en de occupy-beweging die momenteel in 1500 steden over de hele wereld protesteert tegen de banken. Hoewel het hoofdstuk over Mubarak de voormalige dictator beschrijft als een keiharde kapitalist ziet Osman geen moment de bredere betekenis van de gebeurtenissen in zijn land.

Sterker, in de laatste hoofdstukken is Osman het spoor volledig kwijt. Zijn conclusie is een staaltje analytische verwarring die we dagelijks in de gevestigde media kunnen  zien. Hoewel hij in hoofdstuk 7, de wanhoop van de jongeren goed vervat (hij ziet zelfs de generatiekloof die ook hier te lande langzaam door analytici wordt waargenomen) lijkt hij geen moment het revolutionaire elan aan te voelen. De in Engeland werkende econoom blijft zelf een brave gelovige van de meest ontwrichtende ideologie sinds fascisme en communisme. Doodleuk wijst hij als doorslaggevende factor achter de revolutie de ‘economische zelfstandigheid’ van jongeren aan. Pardon? Schreef hij net niet dat sommigen hun organen verkopen om te overleven? Wie zijn die zelfstandigen dan, als dat niet de kinderen van Mubaraks kapitalistenklasse zijn?

‘Voor de toekomst van Egypt is het nu een van de belangrijkste vragen hoe de private sector en de vertegenwoordigers daarvan hun economische macht zullen omzetten in politieke macht’, schrijft Osman, alsof het mogelijk is om een bedrijf binnen te lopen en daar aan de balie te vertellen dat je – en miljoenen met jou – werkeloos bent. Dat een alleszins ontwikkelt mens, niet lijkt te beseffen dat alleen de publieke zaak, een politieke zaak is, verbaasd. Private bedrijven hebben geen politieke verantwoordelijkheid (anders zouden ze niet privaat zijn) en verdedigen zich ook altijd met dat argument.

Als voorbeeld van ‘hoop’ noemt Osman ‘een dertigtal jonge Egyptenaren die uit New York en Londen naar hun land zijn teruggekeerd’ en ‘nieuwe investeringsfondsen lanceerden die zich uitsluitend richten op de achtergebleven gebieden in al-Saeed’. Denkt Osman echt dat deze jonge in de financiële wereldhoofdsteden New York en London opgeleide kapitalisten het falen van het kapitalisme gaan repareren? Met hetzelfde gemak spreekt hij over de economisch onafhankelijke middenklasse (p250), terwijl hij een bladzijde eerder nog schreef dat ‘50% van hen [jongeren] nog steeds geen toegang heeft tot moderne scholen en ziekenhuizen, laat staan een pc.’

Osman, die schrijft voor verscheidene neoliberale kranten als The Financial Times, The Independant, The Guardian slaat in zijn conclusie de plank volledig mis. Met behulp van en zelfverzonnen onderscheid tussen ‘kapitalisme’ en ‘een verwrongen vorm van kapitalisme’ probeert hij een ruimte te creëren voor een kapitalistisch alternatief. Maar de argumenten bijten zichzelf keer op keer in de staart. Hoewel de ‘financiële onafhankelijke middenklasse’, die een hoofdstuk eerder nog niet bestond het helemaal gaat maken, zullen ‘de sectoren die hooggekwalificeerde vaardigheden vereisen klein blijven, met een sterk geconcentreerd eigenaarschap en slechts beperkte overloopeffecten.’ Op de ene pagina (244) is de jeugd niet maatschappelijk betrokken, en op de andere pagina in opkomst. Op de ene pagina zijn zij verwesterd terwijl op de andere ‘de islamisten steeds meer weerklank vinden in brede lagen van de bevolking’ (262). Enerzijds is Egypte volkomen maatschappelijk ontwricht en vatbaar voor salafisten en islamisten door jarenlang kapitalisme en anderzijds haalt de econoom doodleuk Adam Smith’s onzichtbare hand aan: ‘Adam Smith’s onzichtbare hand trok in het eerste decennium van de eenentwintigste eeuw aan de touwtjes en stimuleerde creativiteit, vernunft en vindingrijkheid.’

Hier zit dus een ideologische blinde vlek bij de sterjournalist. Osman deed een poging maar bewijst in de laatste hoofdstukken conceptueel niet in staat om te begrijpen wat er wereldwijd gaande is. Geschiedenis wordt op dit moment geschreven en het is aan iedereen die wil om haar te doorgronden.

Tahrir Square, Everywhere!

Tahrir Square Everywhere!

Milton Friedman, neem hem nu maar zijn nobelprijs van de economie af. Het is een sekte, een leugen die niet bestand is tegen de wereld.’

Lieven de Cauter sprak bij Casa Luna over de Occupy beweging die deze week in navolging van de opstand in Egypte wereldwijd doorbrak. Tien jaar was hij boos en  tien jaar pessimist, toch klonk het jubelend: Tahrir Square Everywhere!!!

Luister hier de uitzending.

http://www.radio1.nl/contents/39412-filosoof-lieven-de-cauter-is-al-tien-j-r-woedend


Van Ayn Rand, via Alan Greenspan tot de kredietcrisis is het een utopie. Human Resource, alleen de term zou alle alarmbellen moeten doen afgaan. Management lijkt politiek neutraal, maar dat is het niet. We zijn allemaal deel van het kapitalisme. Het neoliberalisme zit ons tot in de poriën.

Maar het is een utopie en ik kan een zesjarige uitleggen dat de 1% de 99% beroofd. Op Wallstreet, bij de banken zitten de rovers en ze roven al dertig jaar. Iedereen kan het nu zien. Het is evenwel een wereldwijde utopie.

Dat via sociale netwerksites, losjes georganiseerd op facebook en dergelijke het mogelijk is om in Brussel, Berlijn, Madrid, New York, Amsterdam, Den Haag, en Rome, is een voorbeeld van een geheel nieuw soort van intelligentie. Zwermintelligentie. Waar vanaf Plato alle politieke theorieën de menigte zagen als een ongestructureerde kracht die beteugeld en geleid moest worden. En nu blijkt dat er een intelligentie bestaat in een genetwerkte menigte die zichzelf organiseert. Op Tahrir Square organiseerde de menigte drie hospitalen, oude vrouwtjes kwamen eten uitdelen, de Christelijke activist George Ishak (zie beeld hieronder) trad op als leider van de burgerlijke oppositiegroepen genoemd: Kefaya (Genoeg!), waarbij zelfs vooraanstaande islamist Abdelwahab al-Meisseiry zich aansloot. Kopten en moslims organiseerde hun gebedstijden zodat zij elkaar konden beschermen als de politie aan zou vallen. Op het laatst stonden er aldus de Cauter 3 miljoen mensen op straat, 3x Brussel!

Tahrir Square Cairo is het ankerpunt volgens de Cauter. Tahrir Square is de uitkomst van 9/11. Dit is waar de clash of civilization eindigt; waar Project for a New American Century, het intellectuele program van de Bush administratie dat werelddominantie ambieerde, eindigt. In 2011 was het Kefaya en dat stemt ons hoopvol.  ‘Hoop komt nu echt uit de Arabische wereld’.  Daarom zegt de Cauter nu al maanden: Tahrir Square Everywhere!

 

Durf een idee te hebben!

In de jaren 90 werd op mijn middelbare school het communisme op school besproken en stonden wij verstelt dat het ‘eigenlijk’ klopte.  Onder vage verwijzing naar ‘miljoenen doden’ schoof onze Joodse docent het weer als fictie terzijde en dan werd er lang over ‘vrijheid’ gesproken die wij toch maar mooi ‘genoten’. Onze ouders kochten huizen die in tien jaar in prijs verdubbeld waren en alles was best in orde. Ouders waren trots op hun generatie. Over ’68 hoorde je, maar je wist niet precies wat dat was.

Een decennium later bibberen we voor onze pensioenetjes en gaan we ‘allemaal betalen’, Marx wordt weer gelezen en verklaarde communisten als Alain Badiou en Slavoj Zizek voeren de intellectuele elite aan.

We are still contemporaries of May ’68

In The communist hypothesis legt Alain Badiou dat uit waar het om ging in 1968. In ‘We are still contemporaries of May ‘68’ vertelt de Franse filosoof dat in 2008 in Frankrijk ’68 (de studentenopstanden) groots gevierd werd. Waarom? Het pessimistische antwoord luidt: omdat het na veertig jaar écht geschiedenis is. Nog pessimistischer, meent Badiou, is de droge vaststelling dat de werkelijke winnaar van ’68 het neo-liberale kapitalisme was. De (ooit) emancipatoire geest van individualisme en ‘jouissance’ is geïncorporeerd door het kapitalisme en heeft een generatie hedonistische consumenten voortgebracht voor wie ‘Mijn Belang’, niet alleen het hoogste, maar zelfs het enige denkbare houding is. Get rich! Is de enige verdedigbare ambitie geworden. Dit noemt Badiou het werkelijke imperatief van deze tijd: leef zonder idee. Daar valt veel voor te zeggen, want de ambitie rijk te worden is de wens alles te kunnen als je wilt, maar zonder idee over wat dat dan is.

Badiou – verklaard Maoïst – ziet ook twee positieve tendensen. De viering van ’68 is ook een anti-Sarkozy reflex. Nog positiever is dat er een nieuwe generatie is die het gevoel weer heeft dat de wereld niet klopt, dat verandering mogelijk is, verandering die 200 jaar lang ‘revolutie’ genoemd werd. Dat idee verenigde de jongeren van ‘68.

Badiou beschrijft ’68 als een gebeurtenis in het verlengde van de culturele revolutie in China, de Parijse commune en de allereerste communisten van de 19e eeuw. Hij concludeert dat onze tijd meer lijkt op 1840 toen kapitalisten hele volksstammen in mensonterende omstandigheden hielden in fabrieken dan op ’68. ‘Everywhere it is implied that that the poor are to blame for their own plight, that Africans are backward, and that the future belongs either to the ‘civilized’ bourgeoisies of the western world or to those who, like the Japanese, choose to follow the same path.’ (259) Op een dag moet uitgelegd worden hoe het komt dat sinds de jaren 90 westerse economieën zijn verdubbeld in grootte, maar toch educatie, zorg, arbeidsvoorwaarden, openbaar vervoer, pensioenen en andere verworvenheden volkomen ontmantelt zijn. ‘One day we will ask ourselves where they got the money from, because whenever the poor ask for a little something, they’ve said for years as the turn their pockets out that they haven’t got a penny.’ (92)

Sarkozy – die Badiou onomwonden houdt voor een communicatieknaapje van Het Kapitaal –  vindt (daarom?) op dit moment ’68 voor dé grote bedreiging voor de Franse staat. Waarom? Omdat de jongeren in ‘68 de communistische hypothese verdedigden! En aangezien er geen aanwijsbaar communisme meer bestaat moet nu de hypothese als zodanig worden bestreden als grootste bedreiging. Wat is die hypothese dan?

Leef zonder idee!

De communistische hypothese houdt, aldus Badiou, in dat een andere collectieve organisatie mogelijk is. Ze bezien duidt communisme slechts op een zéér algemene set van intellectuele representaties, een idee, zou Kant zeggen. Het idee van één wereld bijvoorbeeld. Het kapitalisme beloofde dat na de val van de muur dat de wereld verenigd was, maar sluit de facto steeds meer mensen uit.  Het vergt volgens Badiou een bepaalde moed om een idee te hebben. Haar imperatief van onze realiteit is: Word rijk! Kunnen wij, volgens de filosoof, vertalen als ‘Leef zonder idee’.

Badious antwoord hierop is schokkend omdat het zo simpel is, dat je je schaamt dat hij gelijk heeft. De filosoof roept op om een idee te DURVEN hebben. We moeten ons (zelfs!) overtuigen dat daar niets crimineel aan is. Te veel mensen denken tegenwoordig dat er geen alternatief is voor het najagen van het eigen belang. ‘I am a philosopher, so let me tell you something that has been said again and again since Plato’s day. I am telling you as a philosopher that we have to live with an idea, and that what deserves to be called a real politics begins with that conviction.’

En Badiou heeft gelijk. Vanuit een idee zijn opeens heel andere vragen mogelijk. Bijvoorbeeld: hoe is het mogelijk voor een westers land met de huidige technische mogelijkheden er ieder jaar tienduizenden studentenkamers te kort zijn? Wie verdiend daaraan? En is dat wenselijk… of beschaafd? Welke maatschappij willen we zijn? Durven we daar over na te denken, of is het ‘gewoon’ kapitalisme, net zoals we ‘gewoon’ allemaal zullen moeten bloeden om wat er decennialang gebeurde in de bankensector. Het gewone in vraag kan stellen, begint met een idee. Wie zich nooit verwonderd, zal ‘het gewone’ nooit heroverwegen. Dat zijn de mensen die later zeggen: dit hebben wij nooit geweten. Hoe ongelooflijk het op het eerste gezicht ook lijkt: het zijn ideeën die de wereld veranderen.

Hou vol, houd moed. Er komen anderen tijden.