Ik creëer je in de armen van een ander

Voordracht voor LowSofie; So you Think! Filosofische talentenjacht in Trouw de Verdieping, Amsterdam 25 juli.

Lieve Sofie,

Ik heb je lief Sofie, filosofie! Liefde voor de waarheid. In iedere taal noem je de hartstocht waar ik je vanavond over vertel: liefde-voor-de-waarheid. Filo-Sofie. Behalve in het Nederlands. Wij begeren je! En niet als waarheid, maar als wijsheid. Wijsbegeerte! Als dat geen VOC-mentaliteit is. Wij plakken geen grappige post-its, op je koelkast als je ’s ochtends nog ligt te slapen. Wij begeren je de hele nacht.

Dat klinkt Grieks eigenlijk he? Griekser dan de Grieken.

Maar Sofie, daarover vertel ik je later. Ik moet eerlijk zijn, tegen jou, in je hoedanigheid als waarheid. De waarheid is dat ik vreemdga. ’t Waar Sofie. Ik ben vreemdgegaan. Ik heb op andere meiden gelegen. Heel veel andere meiden. Het is al een tijdje zo. Een paar jaar. Een jaar of acht. En ik kan niet beloven dat ik niet opnieuw de mist inga. Trouwens, je hebt het er zelf naar gemaakt, je kunt niet boos op me zijn…je bent niet bepaald goed bereikbaar de laatste tijd.

Daarbij: Steeds als ik met andere meiden slaap, dan denk ik dat jij het bent met wie ik vrij. Dat moet je geloven.

Hoezo hoef je dat niet te geloven?

Och ja, ik weet het alweer: jij hoeft niets te geloven. Ik moet geloven in jou!

Maareh.. Sofie, ik ben bepaald niet de eerste die je belazert. Hebben niet al jouw minnaars je een keer belazerd?

Dachten in de duizendjarige Europese middeleeuwen niet alle filosofen dat je God was? We kunnen van Meneer Leibniz toch niet zeggen dat hij niet van je hield? Hij noemde jou: het beste van alle mogelijke werelden, nee, hij vond dát jouw bestaan er de oorzaak van was dat wij leven in dé beste van alle mogelijke werelden. Dát is een liefdesverklaring! En bepaald geen kalverliefde of wel?

Maar je bleef God.

Pas bij Spinoza, die jou gelijk stelt met alles wat er is, en aldus het pantheïsme van nieuwe intellectuele betekenis voorzag, pas toen werd het mogelijk te denken dat je misschien géén God was. Maar nog iets veel groters. En mooiers. En nabijer ook.

Er is van jou gehouden Sofie, en je mag écht niet boos op me zijn dat ik soms vreemdga.

Echt! Ik ben erg vaak vreemd gegaan maar dat ligt niet aan mij, het ligt aan jou. Echt. Ik ben je trouw geweest terwijl je niet bepaald bekend bent. Je komt niet op tv ofzo. Trouwens: Als ik je bel neem je niet op en je hebt geen vaste woon of verblijfplaats. Is het dan zo gek dat ik soms even een momentje van zwakte heb?

Ik kan je nooit vinden!

Maar ik zoek wel.

Pas Meneer Nietzsche wist zo zeker dat jij God niet bent, dat hij zei dat God niet bestaat. Maar Nietzsche heeft je pas écht verlaten! Die heeft zijn leven lang getreurd omdat hij had gezegd dat God niet bestond. (juist omdat hij vond dat hij er gelijk in had). En dat noemt zich optimist!

In de biografie van Meneer Nietzsche las ik dat zijn huishoudster eens door het sleutelgat keek en de oude Nietzsche naakt door zijn studeerkamer danste.

Nou, die heeft je verlaten.

Hij had een nieuwe liefde: Dans! Het schijnt me nogal een voorstelling geweest te zijn. Dat oude lijf, die snor, dat lichaam dat 43 jaar voorovergebogen achter een studeertafel gezeten heeft. Is niet sexy Sofie

Maar, Sofie, het zou wel mooi zijn als je tenminste iets van deze relatie geleerd had! Dat je bijvoorbeeld niet ZO lang niets van je kunt laten horen. Das toch geen relatie?

Wij hebben wel iets van meneer Nietzsche geleerd namelijk! Na meneer Nietzsche geloven we niet meer dat God een vader is die van op een wolk naar ons zit te kijken. Als je al gelovig bent, dan is dat op abstractere wijze dan dat. Daar hou je toch zo van? Wij zoeken je in de abstractie.

Enfin Sofie. Ik ben vreemdgegaan, maar ik wil alleen maar zeggen dat ik je wel de hele tijd trouw blijf, ook al ben je niet bepaald goed bereikbaar.

Ik kan je alleen zoeken en je ligt ook niet bepaald op straat.

Nouja! Ik zoek je daar wel, en soms kom ik iemand tegen die je kent. (maar die kent dan Ad Verbrugge van de tv.). Maar ik zoek jou. En ik kijk wel! Ik kijk overal voor jou.

Nee, al wat ik kan doen is de brieven lezen die andere aan je schreven. Ik las Dé Staat van Plato. Maar ook Wittgenstein, Popper en Derrida. En ook nog wel heel wat obscuurder aanbidders: Machiavelli uit Florance, Emil Cioran uit Roemenie, Baltasar Gracián uit Toledo en Joseph de Maistre uit het onwaarschijnlijk: Sardinië.

Ja, ik hou wel van dat soort vreemde vogels.

            Er is van jou gehouden Sofie, en je mag niet boos op me zijn dat ik soms vreemdga. Alleen omdat ik je soms zoek op de verkeerde plaatsen.

Nee, het is niet bepaald gemakkelijk om je te vinden. Er is geen paleis voor je gebouwd en er is geen politieke partij voor je opgericht. Of nouja, Meneer Marx heeft dat toch geprobeerd?

En…? heeft hij je gevonden in het einde van de geschiedenis?

Nee, Maar Meneer Marx is bepaald lief voor je geweest.

Het was erg aardig toen hij je de laatste beslissende wending in de geschiedenis noemde. En toen hij schreef dat je een spook was dat door Europa waart, was dat écht niet omdat hij jou lelijk vond. Het was alleen maar om de kapitalisten bang te maken.

En jij zou dan in de gedaante van de arbeidersklasse opstaan en een laatste trucje vertonen. Dat was alles wat hij vroeg. En dan zou er een utopie ontstaan. Een ideale wereld waarin er geen arbeider meer is en geen bankier. We zouden allemaal ‘s ochtends te jagen, ‘s middags te vissen, ‘s avonds veeteelt te bedrijven en na het eten de kritiek te beoefenen, al naar gelang we zouden verkiezen, zonder ooit jager, visser, herder of criticus te worden.

Nee, meneer Marx is bepaald charmant tegen je geweest.

Maar… je bleek je niet te verwaardigen? Toch? Of ga je straks in de vorm van de mondiale kredietcrisis toch nog tonen, dat Marx al die tijd gelijk had. Dat we bankiers evenmin over onze levens willen laten beslissen, als dat we arbeider willen zijn in de poppenkast van het grootkapitaal?

Eigenlijk weet ik niet met wie jij het allemaal doet Sofie!

En trouwens! Ik wil het ook niet weten.

Het kan me eigenlijk ook helemaal niet schelen.

Trouwens, hoezo zou je nou boos zijn als ik je soms in het bed van de religie, muziek of de kunst zoek? Wat wil je dan?

Een monogaam huwelijk? Dat we elkaar eeuwige trouw bezweren en dan samen gelukkig zijn. Na ons de zondvloed? En dan samen een hypotheek nemen, in een Vinexwijk gaan wonen, een baan zoeken, en dan een leven lang kromliggen en dan zeggen dat we gelukkig zijn? (Wat moet er van onze kinderen komen?)

Trouwen! Ik ben toch geen fundamentalist? Dat hebben we het afgelopen decennium toch gezien. Aan de ene kant de moslims, die Nietzsche nog niet gelezen hebben, en geen verlichting hebben doorgemaakt. Die hebben maar één boek! Bedwelmd door het idee dat ze je al gevonden hebben.

En wij dan aan de andere kant: volkomen transparant, fris gewassen en rationeel, wetenschappelijk en pragmatisch en volstrekt niet verantwoordelijk voor milieucrisissen, voedselcrisissen, werkeloosheidscrisis, financiële crisis.

En wij dan zeggen: List van de rede!

Had Hegel bedacht! Die andere minnaar van je.

Slim… dat je dan kunt zeggen; ‘het klopt niet… maar dat is niet mijn schuld. ’t Was de rede… die heeft soms listen.’

Nee, dat was niet mooi toch Sofie? Het afgelopen decennium. Met al die haat en nijd over en weer. En die burgerrechten die we verloren zijn enzo. Dat heeft toch niemand gewild?

BP die de oceanen vervuild voor de Amerikaanse kust, zonder dat er publieke rechtzaken op volgen… Nee, Sofie, dat GELOOF je toch niet?

Niemand zal geloven Sofie, dat dát jouw werk is. Nee, het was niet de liefde voor de waarheid die het afgelopen decennium heerste in de ‘war on terror’. Nee, dat zal ook écht niet in de geschiedenisboeken komen als een periode waar we trots op kunnen zijn.

Nee.

Nee, maar toch geloven we nog wel in onszelf Sofie. We hebben nog steeds onze beschaving en we houden een beetje van onze vergissingen. En aan jou denken we vaak niet. Ik zei net: er is geen politieke partij voor je opgericht. Maar er zijn wel pogingen gedaan om jou de politiek in te krijgen. En niet de minste he?

Ergens moeten we kiezen. Want terwijl jij daar ijdel zit te wachten draait de wereld door. Wij moeten beslissen. Wat eten we vanavond? Welke baan zal ik nemen? Zullen we soldaten naar Uruzgan sturen? Zullen we nog eens iets privatiseren?

Je bent vaak genoeg uitgenodigd aan tafel om te helpen beslissen. Je bent wel welkom he? Sofie? Wij houden van je!

Ik in ieder geval.

Vaak kijk ik naar je Sofie. Ik kijk naar je als ik praat met filosofievrienden in de kroeg. Ik kijk naar je als ik college geef. Ik kijk dan écht wel naar je. En ik vind je nog net zo mooi als toen ik je net leerde kennen. Je weet dat mijn eerste filosofieboek Machiavelli was toch? Die was door 2Pac destijds bekend geworden. Weet je dat nog? Ja, dat was zo. En ik ging Machiavelli écht kopen en écht lezen. Eerst de Heerser. En daarna de Discorsi. 500 pagina’s van een oude Italiaanse lover van je. En toen ben ik filosofie gaan studeren. Dat kon toen nog… zonder studiebindend advies en langstudeerboete 😉

Ah… had ik ook niet nodig hoor. Ik was netjes in vijf jaar klaar. Met die universiteit dan he? Met jou nog niet. Ik heb daarna ook avond aan avond naar je zitten kijken. Wat ik zag vond ik nog steeds leuk. Weergaloos mooi. Je bent de mooiste Sofie. Echt waar. De mooiste die ik ooit gezien heb.

Maareh…

Ik denk écht serieus soms aan die Vinexwoning, en die hypotheek. En ik zou ook best willen trouwen enzo. Uiteindelijk moet ik toch een keertje… tja! Ik moet kiezen.

Nouja…

En daar gaat het dan soms mis. Met die andere vrouwen.

Maar punt blijft, lieve Sofie.

Filosofie… is een werkwoord! Dus als ik soms in de armen van een of andere schone deerne: aan het werk ben… ja, dan moet je niet boos worden.

Vind ik.

Ja, ik lig ik op een ander. Ja!

Ja! En daar ben ik zelfs serieus mee. Ja, ik zal het maar eerlijk zeggen. Ik vind het nog lekker ook.

Kijk, zoals ik het zie Sofie…

Ben jij heel veel dingen.

Je bent een vrouw. Althans… dat zei meneer Derrida: de waarheid is een vrouw. Hij zei dat in het boek Sporen. Want hij dacht dat hij jou nooit zou vinden, maar hij meende dat je tenminste op het spoor was.

Soms heb ik gedacht dat je een Arabische vrouw bent. Want je versluierd je. Steeds als je meneer Derrida een sluier toewierp, bleek er een nieuwe sluier achter schuil te gaan. Als een eindeloze striptease, zonder ooit een stukje huid. Maar meneer Derrida, bleef goed naar je kijken. En hij zag dat je steeds abstracter werd. Jij verbergt je achter abstracties. Alleen kinderen geloven in sinterklaas. Wij geloven in jou juist omdat je je verbergt in abstracties.

Meneer Kierkegaard, je Deense aanbidder, hield ook van je. Die ondeugende eroticus ging zichzelf versluieren. Steeds schreef hij een boek onder een ander pseudoniem. Hij benaderde je van verschillende kanten zonder ooit te zeggen dat hij één ding op het spoor was. En uiteindelijk zei meneer Kierkegaard dat je niet in de rationele analyse te vinden bent. Je moet een sprong maken, voorbij de rede. Het is een daad van geloof! En dán vinden we jou.

Ik weet het niet hoor Sofie. Is het werkelijk OF/OF? Alles of Niets? IS het werkelijk een kwestie van kiezen?

Ik vond Gilles Deleuze een leuke minnaar. Volgens hem gaat het niet om kiezen en niet om kijken. Waar het om gaat is maken! En doen! Hij ziet jou niet als een vrouw, maar als een beweging. Een beweging waar je in kunt stappen. Je moet tegelijkertijd meebewegen en sturen. En dat is alles wat we doen kunnen. Ieder zijn eigen Sofie. Multisofie. Filosofie van de multitude. Of nee… een omhelzing waarin je tegelijkertijd in elkaar doordringt als doordringen wordt. Deleuze geloofde niet dat je een vrouw was, hij wilde ‘vrouw-worden’ (becoming woman). Het was creatie. Voorplanting! Pure voorplanting.

Zo zie ik het ook een beetje Sofie.

O lieverd. Ik durf je niet eens te zeggen met wat voor gedrochten ik het bed gedeeld heb. Op zoek als ik was naar de waarheid!

Lieve Sofie, ik hou van je, en ik zoek je, ik kijk naar je, en ik kies voor je.
En ik creëer je in de armen van een ander.

De liefste Schoft

Aan de vooravond van de negentiende eeuw liggen twee rijke jongelingen, na een verkenningstocht door het oude eikenbos nabij Trittau in Holstein, te rusten in het gras en kijken naar de gelende wolken boven aan nabijgelegen stadje. De gedachten van de jongste dwalen af naar de ellendigheid van het leven. Het is kort, fragiel en voorbijgaand, filosofeert hij, en eigenlijk is het niet de moeite waard om iets te ondernemen waar grote inspanning voor nodig is. De ander repliceert dat hij dat ook allemaal wel weet, maar dat ze toch allebei koopman zullen worden. Iets dat de eerste voor compleet gestoord en nutteloos houdt. Door leonhard de paepe.

Een tijdloos gesprek tussen tieners uit de middenklasse dat normaliter niet de analen zou halen. Maar de eerste spreker is niemand anders dan Arthur Schopenhauer (1788 – 1860) en diens leven zal gewijd worden aan een titanische inspanning: de compositie van een alomvattend coherent wereldbeeld, waarvan de pessimistische grondstemming in dit citaat al vervat ligt. De jongeling zal uitgroeien tot de intellectuele vader van het pessimisme. Schopenhauer. A Biography van David E. Carthwright geeft een overzicht van zijn leven en denken.

De pessimist

Schopenhauers jeugd staat in het teken van een toekomst als koopman, maar de zelfmoord van vader Heinrich Floris en de indrukwekkend Europese reis van twee jaar (destijds modieus bij de rijken) veranderden dat. De gevoelige Schopenhauer wordt diep geraakt door de armoede die hij ziet en hij realiseert zich dat rijkdom alleen bestaat omdat anderen voor bijna niets werken. Na de dood van zijn vader wil Arthur zijn belofte gestand doen en koopman worden. Het is uiteindelijk zijn moeder Johanna — een intelligente, artistieke, maar ook vrij kille vrouw die salon hield in Weimar — moedigde hem uiteindelijk aan om voor de filosofie te kiezen. Toch zou Schopenhauer een moeizame relatie met zijn moeder onderhouden. De verhouding tussen Schopenhauer en zijn moeder blijft interessant. Hoewel Johanna bij tijden moederlijke adviezen geeft, houdt ze ook een bepaalde afstand tot Arthurs sombere grondstemming, en Schopenhauer zoekt geregeld vergeefs zijn moeders genegenheid, maar geeft op crusiale momenten ook niet thuis. Carthwright speculeert er dat Schopenhauers vrouwonvriendelijke adviezen aan de mensheid (geen vrouw  zou zelfstandig over de erfenis van haar man mogen beschikken) terug te voeren zijn op de relatie met zijn moeder.

Schopenhauer vindt uiteindelijk de meeste genegenheid bij zijn poedel Atma, bij wier dood de filosoof in een depressie raakte. Hij kocht een nieuwe die hij opnieuw Atma (levensadem) noemde. Typerend: de wereldwil – de briljante metafysische aanname van Schopenhauer – hield Schopenhauer voor de enige werkelijkheid, en ons lichaam, ja onze hele individualiteit is slechts een tijdelijke drager daarvan. Schopenhauer vergelijkt het individuele leven met een oog dat zich opent en heel even ziet, om daarna voor eeuwig te sluiten en hij noemt (wat héél modern is) individualiteit, dat wat wij met ‘ik’ aanduiden, zelfs als een droom en de centrale vergissing van de mensheid. De momenten dat hij hierover te spreken komt, behoren tot de mooiste en meest poetische fragmenten van zijn filosofie.

Aan zijn standpunt getrouw kan hij zijn tweede poedel gewoon weer Atma noemen: de individuele poedel was misschien dood, maar De Poedel bleef bestaan. We treuren om onze individuale wil maar uiteindelijk is dat vergeefs. Het is daarom maar maar het beste om helemaal niets te willen. Het willen brengt alle verlangen en alle pijn in de wereld. Zelfs de zelfmoordenaar, schrijft Schopenhauer elders, wil nog iets (namelijk: Niet-zijn) en is daarmee eigenlijk nog te optimistisch. De wereldwil is eeuwige, en alleen op het eeuwige bleef Schopenhauer een leven lang gericht. De waarheid kan slechts de eeuwige waarheid zijn.

Met dat geniale inzicht bestookte Schopenhauer (tot zijn 60e zonder succes) zijn tijd. Rüdiger Safranski staat in zijn Schopenhauerbiografie langer dan Carthwright stil de ‘wilde jaren van de filosofie’. Schopenhauers tijd stond in het teken stond van een radicale omwenteling na Immanuel Kant die de filosofie voor altijd zou veranderen. De filosofie schuimde en knetterde. Een keur aan jonge filosofen stond op om deze ‘Copernicaanse omwenteling’ te voltooien. Hegel, Schelling, Fichte maakten carrière, en zette het Duitse Idealisme in de steigers. Jarenlang werkte Schopenhauer onopgemerkt door tijdgenoten, maar ongebroken in zijn overtuiging dat hij een les leerde die de mensheid zich — zo voorspelde hij in het voorwoord van De wereld als wil en voorstelling — nog lang zou heugen.

Zo streng als zijn argumentaties, zo gemakkelijk hanteerde hij het ad hominem argument zodra hij te spreken kwam over tijdgenoten. Professoren waren broodschrijvers, sterfilosoof Hegel was een windbuil. Fichte een fantast en zo gaat het maar door. De tirades tegen Hegel zijn zo ongehoord dat Schopenhauer vandaag de dag nog altijd beroemder is om zijn scheldpartijen (schofferingen waar een grootgebruiker van de belediging als Oscar Wilde nog een puntje aan kan zuigen) dan om zijn filosofie. Maar onder de koppigheid ligt steeds een diepe compassie. Tijdens een bezoek aan Toulon ziet de welgestelde jongeman het meest troosteloze dat hij ooit zag: een gevangenis waar de gevangenen werden gehouden als dieren in een onmenselijke dierentuin ter vermaak van het publiek. Waar anderen van zijn klasse zich destijds vooral veilig voelde bij de aanblik van zulke ‘booswichten’, daar schrijft de jonge Schopenhauer in zijn dagboek:

‘Can one think of a more terrible feeling then that of one of these unfortunates as he is chained to the bench in the dark galley and from which nothing but death can separate them,’

Vanuit deze ontzetting over de gruwelijkheid van de wereld, werd hij principieel pessimist én moralist. Hij werd de eerste Europeaan die hartstochtelijk fulmineerde tegen de onmenselijkheid van slavernij én dierproeven en daarin bewijst zich – mijns inziens – de morele grootheid van de liefst schoft.

De schoft

Toch is Carthwright niet mals in zijn oordeel over de vermeende schofterige arrogantie die Schopenhauer (onder vele andere) in zijn briefwisseling met Goethe tentoonspreidt. De beroemde dichter heeft een theorie van kleuren opgesteld die op dat moment als antwoord op de Newtoniaanse kleurenleer gold. En dan komt de zesentwintigjarige Schopenhauer die zijn krachten wil meten met een grootheid en Goethe fijntjes op denkfouten wijst. Als Goethe daar maar lauwtjes op reageert, zet Schopenhauer hem meteen voor het blok: een van hen beide moest ongelijk hebben.

‘Why should your excellency deny yourself the satisfaction and me the instruction, by drawing with a few words the line which divides the true from the false?’.

Carthwright houdt het voor een voorbeeld van de arrogantie van de filosoof die de dichter aanpakt op wat Goethe voor zijn grootste intellectuele prestatie hield. Maar de geschiedenis leert dat Schopenhauer en niet de dichter gelijk had. Helaas was Schopenhauers genie en waarheidsliefde eerder een steen des aanstoots dan een bron van inspiratie voor zijn medemensen. Toch toont Schopenhauer zich hier een ware filosoof. Als filosofie ook maar iets minder was dan een zoeken naar de waarheid, wat zou ze dán anders zijn dan intelligent commentaar? (en waar zou die wonderlijke bekoring van de filosofie blijven?) Wars van iedere gevoeligheid voor autoriteit, zet Schopenhauer meteen in op de waarheid, en de waarheid daarover valt niet te onderhandelen. Als Goethe ongelijk heeft, dan moet hij zijn woorden terugnemen (een dergelijke mentaliteit heeft menigmaal een filosoof zijn baan gekost).

De mysticus, de moderne

Leuk aan deze biografie is dat de auteur uitgebreid ingaat op de Nederlandse voorouders van de filosoof, maar werkelijk nieuw is Carthwrights speurwerk in zijn nagelaten werken en brieven. Daaruit blijkt dat de filosoof zich onder invloed van zijn jarenlange studie in de Oosterse filosofie bezig hield met hypnose, telekinese en helderziendheid. Hij hield zijn bevindingen echter uit zijn gepubliceerde werk uit angst voor de scepsis die het onderwerp steevast uitlokt. Toch hangt ook deze episode even coherent samen met zijn filosofie als alles in zijn leven. Want voor Schopenhauer — en dit is tevens zijn mystiek — is de wereld waarin wij leven een voorstelling van onze geest. Slechts door onze wil te temperen kunnen we de afstand nemen om het geheel — de wereldwil — te doorzien en te begrijpen. Dat is het mystieke moment waarop de filosoof achter de ‘sluier van Maya’ de zuivere waarheid kan ‘schouwen’. In dat zeldzame metafysische moment zocht Schopenhauer naar de mogelijkheden voor paranormale fenomenen. Die hoofdstukken over dit onderwerp behoren tot de beste uit Carthwrights studie.

Nalatenschap

De invloed van Schopenhauer is nooit echt goed in kaart gebracht omdat ze zovele disciplines bestrijkt. Musici, kunstenaars, schrijvers, biologen en psychologen lieten zich door hem inspireren, van Wagner en Nietzsche tot Tolstoj, Wittgenstein, Freud, en van nobelprijswinnaars als Knut Hamsun tot Imre Kertesz wijdden lovende woorden aan hem. Knut Hamsun raadde zijn jonge vrouw aan Schopenhauer te lezen in reactie op haar vraag welk boek ze moest leven om haar man te begrijpen. Kierkegaard wijdt zich na lezing van Schopenhauer aan een tekst over de bewonderenswaardige Duitse taal die het woord ‘Windbuil’ heeft.  Een rijkdom die zijn Deens helaas ontbeert. Nietzsche maakte zich pas na jaren los van Schopenhauer om een grimmig en a-moreel optimisme radicaal te omarmen. Kertesz schrijft in Dagboek van een Galeislaaf, dat hij Schopenhauers Parerga en paralipomena een jaar lang onder zijn hoofdkussen had liggen en Wagner noemde zijn kennismaking met Schopenhauer een geschenk uit de hemel. Wagner stuurde Schopenhauer zelfs het origineel van zijn Tristan en Isolde; een geste waarop Schopenhauer reageerde met de nogal botte opmerking dat hij met belangstelling kennis had genomen maar het toch liever hield op zijn geliefde Mozart en Rossini. Een antwoord dat Wagner weer lang analyseerde om tot de conclusie te komen dat Schopenhauers gehoor melodieus was en daarom niet gevoelig voor de mythische lading van zijn werk.

Maar deze voorbeelden, worden – helaas – niet besproken door Carthwright, die wel een opleving registreert. Schopenhauers leven met de beroemde schandalen wordt wereldwijd aan iedere faculteit wijsbegeerte besproken. Zijn filosofie echter veel minder. Schopenhauer anticipeerde hier al op door het voorwoord van zijn hoofdwerk, De wereld als wil en voorstelling, te richten aan een toekomstige generatie. Na het jarenlange optimisme dat kwam overwaaien uit de Anglo-saksische filosofie lijkt het nu tijd voor herbezinning. Arthur Schopenhauer komt bovendrijven als onvermoede ‘nieuwe’, held in de Franse filosofie. Dit jaar wijdde Jacques Rancière al een studie over esthetiek waarin hij de invloed van Schopenhauer op Freud en detail beschreef en mogelijk is die invloed blijvend. Dit jaar (2010) sprak Kishore Mahbubani tijdens de Nexus-conferentie over het alomtegenwoordige cultuurpessimisme in Europa. Wellicht is Schopenhauer de man, die Europa het pessimisme kan laten doorstaan zonder onze compassie af te laten stompen.  Hij heeft alles in huis om de mensheid die les te leren en de weg naar het Nirwana te tonen.

De eeuwige vraag rondom Schopenhauer ten slotte blijft of hij nu een arrogante schoft was, of een diep gevoelig mens die zich als geen ander rekenschap heeft gegeven van het kwaad in de wereld en zich scherp bewust van zijn eigen morele tekortkomingen, een kwaliteit die menig optimist vreemd is. Carthwright laat de vraag open, de lezer oordele.

Eindhalte Zomertijd, schrijven na J. M. Coetzee

Autobiografieën van schrijvers lopen wel vaker uit de rails. Nabokovs Geheugen spreek, was meer roman dan herinnering en liet allerhande relevante vragen over de schrijver onbesproken. Sandor Marai’s repte in zijn monumentale Land, Land, over zijn overleden dochtertje Lola. John Coetzee’s autobiografie Zomertijd spant echter de kroon. De biografie wordt ‘geschreven’ door een biograaf die John Coetzee nooit ontmoet heeft, en zijn materiaal haalt uit gesprekken met mensen die Coetzee ooit gekend hebben.

In zijn oeuvre, dat nu 20 werken omvat, houdt hij ervan zichzelf – zijn verhaal – tegen te spreken of van een nieuwe betekenis te voorzien door perspectiefwisselingen. Zo beschrijft het bekroonde The Life and Times of Michael K de Zuid-Afrikaanse burgeroorlog de geestelijk gehandicapte Michael K. Door deze ingreep bespaart Coetzee (1940) zich de moeite de politieke situatie te hoeven schetsen (die het bevattingsvermogen van Michael K ver te boven gaat), terwijl de waanzin van de oorlog daardoor des te sterker naar voren komt. Maar dan – halverwege het boek valt opeens het woord ‘ik’, vanuit het perspectief van een verpleger van Michael K. Daardoor kan hij hetzelfde verhaal vanuit een meer beschouwelijk perspectief aanvullen en de aannemelijkheid van het vorige in twijfel trekken.

In Foe herneemt hij Robinson Crusoe van Daniel Defoe. Ook hier speelt de gelaagdheid een rol. Hij hervertelt het verhaal vanuit het perspectief van een vrouw, Susan Barton die naast Vrijdag en Cruso op het eiland was. Na de eiland-ervaring laat hij Susan maandenlang met Vrijdag in het huis van een schrijver (Daniel Defoe) verblijven, waardoor de eenzame opsluiting zich herhaalt in de stad. Op het einde blijkt Susan niet opgevangen door de vriendelijke schrijver, maar de waanzinnig geworden (?) vrouw van de schrijver. Coetzee houdt van dit soort perspectiefwisselingen, en meta-beschouwingen die hem een reputatie als groot post-modernist opleverde.

Geweld en seksualiteit

Wat Coetzee aantrekkelijk maakt is de overweldigende sobere stijl, waaronder grote betrokkenheid schuilgaat. Alleen daardoor wordt hij nooit bombastisch of grotesk. Alles is even ingetogen, precies, beschaafd, ook als hij de grootste wreedheden beschrijft. Behalve wreedheden, heeft Coetzee (in het verlengde daarvan) een scherp oog voor de erotische verhouding tussen man en vrouw en het geweld dat seks is. Steeds opnieuw voert hij mannen of vrouwen ten tonele die zich willen overgeven aan deze niet-reflectieve lust, maar dit niet kunnen omdat zij zich steeds van zichzelf zelfbewust zijn. Zij lezen en begrijpen de signalen van het andere geslacht, maar daardoor blijven ze de ander ‘lezen’, waar ze zouden moeten ‘leven’. Deze seksuele kerker, waarvan de betonnen wanden beschaving heten, zijn steeds een bron van afstand en eenzaamheid en spelen in vrijwel al zijn boeken een rol. In ongenade begint er zelfs mee: ‘Voor een man van zijn leeftijd, tweeënvijftig, gescheiden, heeft hij het probleem van de seks naar zijn idee heel aardig opgelost.’ De oplossing heet prostitutie. Door de financiële transactie kan de lichamelijk transactie min of meer zonder verliezers plaatsvinden.

Ook in zijn persoonlijke leven staat Coetzee bekend als geremd of zelfs contactgestoord. In zijn autobiografie bevestigt hij dit beeld. Het is zelfs onlosmakelijk verbonden met de conceptuele opzet. Hij komt nergens ‘zelf’ aan het woord, maar hij spreekt vanuit het perspectief van een jonge Engelse biograaf die de schrijver John Coetzee nooit heeft gesproken, maar mensen interviewt die hem gekend hebben.  Allereerst Julia, een Joodse huisvrouw die (min of meer) uit wraak tegen haar overspelige man kortstondig een seksuele relatie met John onderhoudt. Het droge oordeel van Julia is dat Johns seksuele prestatie niet opwoog tegen die van haar man.

‘Waarom ik niet meer in John investeerde heeft veel te maken, zo vermoed ik nu, met zijn plan om zichzelf te veranderen in wat ik u beschreven heb, een zachtaardige man, het soort man dat niemand kwaad zou doen, zelfs geen stomme dieren, zelfs geen vrouw. … als hij zichzelf had toegestaan wat omstuimiger te zijn, wat dominanter, wat minder attent, dan zou hij me letterlijk uit een huwelijk hebben gerukt dat slecht voor me was en later nog slechter zou worden. Hij zou me letterlijk hebben gered, of de beste jaren van mijn leven voor me hebben gered, die, zoals later bleek, verspild zijn.’

De mens, de schrijver, het personage Coetzee.

De vraag is: wat is nu autobiografie? De spreker is Julia, de schrijver is John Maxwell Coetzee (1940). Julia’s oordeel over de geremdheid van John, en deseksualiserende werking die ervan uitgaat, daarvan is de schrijver J.M. Coetzee zich scherp bewust. Maar, dit is niet de stem van een ‘werkelijk’ bestaande vrouw, zij is de vrucht van Coetzee’s pen. En daarom is ook het slechte huwelijk, ‘de beste jaren van mijn leven’, ‘gered’ en ‘verspild’ een oordeel. En wat is nu de status daarvan? Is het wraak van de schrijver? Zou de oorspronkelijke dame naar wie het verwijst hier anders over denken, of zou ze zich juist begrepen voelen? Voelt zij zich gekrenkt door de ploert Coetzee die lak heeft aan privacy, of gezalfd door de introverte man die op papier zo welbespraakt is? Zo verschuift de aandacht, zodra wij ons bewust zijn dat hier de schrijver secundair onderwerp van het verhaal is, maar primair de schrijver ervan, vreemd genoeg naar de vrouw, die in gesprek is met een biograaf. (en wij lezen het verslag daarvan).

In het tweede interview ‘Margot’, heeft de biograaf de vrijheid genomen om het interview op te schrijven als lopend verhaal. Hij leest het door de telefoon aan Margot, een nichtje van John voor. Zij onderbreekt hem (de biograaf) soms om commentaar te geven op zijn verhaal op basis van haar woorden. ‘Als geroepen komt Lukas de keuken binnen, buigt zich over haar heen, drukt zijn lippen op haar hoofd, laat zijn handen onder de kamerjas glijden, omvat haar borsten. “my skat,” zegt hij.’ Waarop Margot hem in de rede valt: ‘Dat kunt u niet schrijven. Dat kan niet. U verzint gewoon dingen.’

Zomertijd wordt er zo geen betere autobiografie op. Het enige dat we te weten komen – en dan vooral omdat het in twee verhalen een rol speelt, is dat Coetzee Schubert voor een componist houdt die hem de grote geheimen van de liefde leerde. De vrouwen die dit zeggen, vinden dat belachelijk. Zij willen geen filosofische diepte-inzichten in de werking van de liefde; zij willen liefde! Contact! John komt naar voren als een gesloten man die dat bijna op provocatieve wijze niet wil geven en de vrouwen vergeven hem dat maar mondjesmaat.

Coetzee blijft hangen in de reflectie en lijdt daaraan. Deze reflexiviteit noemde Soren Kierkegaard in 1846 al de ziekte van zijn tijd (in Een literaire recensie en in ziekte tot de dood). Denken, maar niet voelen. Ja, het stelt Coetzee in staat tot literatuur, maar het maakt hem jammerlijk ongeschikt voor het leven. Dat gegeven gebruikt hij dan maar in zijn ‘autobiografie’ die drieluik vormt met ‘autobiografische’ romans Jongensjaren (1997), Portret van een jongenman (2002). Zomertijd beslaat de jaren 1972 – 1977 waarin zijn eersteling gepubliceerd werd.

Nergens warmte, nergens contact. Steeds is er de dreiging van wreedheid waartegen John zich wil beschermen met resignatie of door zelf wreed te zijn, maar dat mislukt steeds omdat hij te reflectief is voor onbevangen wreedheid. John krast met een scheermes in de lievelingsplaat van zijn vader (de wrede daad). En deze gemeenheid vergeeft hij zichzelf niet (de wrede reflectie). Als hij de plaat later opnieuw voor zijn doodzieke vader koopt is luistert deze er nooit naar. John vermoed zelfs een wreed spel van de vader: wellicht denkt de vader ‘Hoe kom je erbij dat jij ooit bij machte zou zijn geweest om mijn leven te vergallen?’ En zo komt er geen eind aan de reflectie op de reflectie, die (1) John Coetzee de mens, (2) J.M. Coetzee, de schrijver én (3) John, het afwezige subject in deze vertelling allemaal kenmerken.

Tenenkrommend protestant

Dat kunnen we allemaal analyseren, maar overtuigt het boek? Helaas niet. Het boek mist innerlijke noodzaak. In zijn andere werken, thematiseerde hij de wreedheid en de schaamte literair. Wachten op de barbaren ging over wreedheid. Life and times of Michael K. benaderde de wreedheid – vanuit de ogen van een gek – als het ware vanuit een (niet-reflectief) moreel nulpunt. In Ongenade ging over de woedende berusting (géén vergeving) na een wrede verkrachting van een vrouw voor de ogen van de vader. Deze wreedheid werd begaan door een zwarte die Coetzee in Zomertijd als slachtoffer van blanke overheersing beschrijft. Slachtoffer ja, maar onschuldigen zijn er niet in het universum van Coetzee. Slachtoffer én aggressor zijn verschillende expressies van dezelfde figuur. En dat maakt alles, zo pijnlijk en schaamtevol voor Coetzee (J.M. én John). Er is geen ontsnappen aan. Dat is zó tegenkrommend over-reflectief, zó protestant. In Zomertijd brengt hij het spel van meta-reflectie op meta-reflectie tot een hoogtepunt (of liever: dieptepunt). Niet langer verzint de schrijver een wrede situatie waarop hij zijn literatuur kan enten, en die hij in het meta-spel ontdoet van alle betekenis zodat de wreedheid in zinloos lijden veranderd waaronder alleen nog de schaamte als reeël residu overblijft, maar nu treft de reflectie van de schrijver, het personage en de mens Coetzee  en zo ontstaat een gapende draaikolk in bodemloze diepte.

Schopenhauers troost tegen Coetzee’s diepe schaamte

Het is een reflectie van een reflectie en daarmee is de roman ontdaan van een ‘reeël’ object, en belangrijker: innerlijke noodzaak. Het is leeg, en wat kunnen we zeggen over de leegte? De schrijver Coetzee zegt: schaamte, diepe schaamte over de ontologische wreedheid die de wereld volgens Coetzee blijkbaar is. De laatste subjectieve positie is schaamte, en daarmee blijkbaar moreel. Dit is de diepste gedachte die spreekt uit De wereld als wil en voorstelling (1844) van de Duitse filosoof Arthur Schopenhauer. De wereld is wrede, redeloze wil, maar de kennis maakt zich daar uiteindelijk van los en verheft zich boven het willen uit in een eeuwig rustig schouwen. Dat is de metafysica van Schopenhauer in één zin. En daarmee is Schopenhauer – die bekend staat als de grootste pessimist –  een ethicus. Maar dat is ook de uiteindelijke optimistische kern, dan ieder oprecht pessimisme. De oprechte pessimist, van Schopenhauer tot Coetzee, is een teleurgesteld ethicus die zich de schuld van de gehele wereld op de schouders laad. Voor Coetzee blijft uiteindelijk die schuld, de waarheid. Schopenhauer is milder. Van zijn werk gaat een wonderlijke troost uit, die ik niet op wil geven. Niet voor een Coetzee. Wat Coetzee veeleer aantoont is de ondergang in de kern van het postmoderne project. Dat project was pas mogelijk met de historische filosofie (vanaf Hegel) en kwam tot volle wasdom toen de filosofie in de 20e eeuw (na de oorlog, dát was de wrede aanleiding) de geschiedenis van het historische denken tot object nam. Toen draaide de rede in zichzelf door en nam het afstand van ieder object buiten de rede. Die filosofie ontnam uiteindelijk, hoewel van begin af moreel geïnspireerd, het denken iedere morele fundering. Het goede en het ware raakte gescheiden, en beide verloren daarmee iedere zin. Dáárvoor zou de mens zich moeten schamen. Schaamte voor de wreedheid in het eerste contact met de werkelijkheid. Is dat niet, ten diepste, een morele positie?

Is dat niet ook de reden dat Coetzee zichzelf mag vergeven voor zichzelf, om zichzelf? Is de ontologische wreedheid niet meteen ook de ware aanleiding tot moraliteit? Is het niet de wreedheid die ons noopt moreel te zijn? Wat zou de noodzaak zijn tot moraliteit als de wereld NIET inherent wreed was? Dat is de diepe donkere troost op modderige bodem van Schopenhauers filosofie. Daar glanst de moraliteit die althans in de kiem, de hele wereld kan doen gloeien van waarachtig mededogen, ook als dat in de praktijk toch nooit lukken zal, omdat leeghoofden en idioten altijd weer geweld begaan om een klein voordeeltje, en ‘filisters’ zoals Hegel de wereld blijven bestoken met hun optimistische domheden. Schopenhauer wijst ieder historisch denken af. De wereld, die mijn voorstelling is, is namelijk in de kern altijd en tot in alle eeuwigheid dezelfde. Een platte lelijke voorstelling voor de massa, een mooie voorstelling voor beperkte geesten (optimisten), een sublieme voorstelling voor het genie en een diepe tragedie voor de kennis. Maar, daardoor is zij niet historisch. Er is geen verloren jeugd voor de mensheid waar wij een onbeduidende telg van zijn, zoals die er ook niet voor ons is.

Daarom is Schopenhauer ook géén postmodernist. Bij hem is er een streepje lucht, een kans op verlossing. Zij het dat deze slechts moeizaam bereikbaar is in de kunst en in het denken (kortom, de cultuur). Het is namelijk in de cultuur dat het ‘ik’, deze metafysische vergissing die de bron is van alle egoïsme en lijden, oplost om plaats te maken voor iets groters: een willoos schouwen van de waarheid. En daarom is dat ‘ik’ ook niet helemaal verantwoordelijk voor zichzelf. Hij is verantwoordelijk voor zijn rede (reflectie), maar aan zijn bestaan (ontologie) heeft hij geen schuld.

Schrijven na Coetzee

Iedere metafysica verzoend het goede met het ware. Het postmoderne denken verwierp het goede uit naam van de waarheid. Het ware ligt in al zijn morele onverschilligheid voor ons en het goede kunnen we slechts denken als wonder. En wonderen bestaan niet werkelijk. Dat moge ´waar´ zijn, maar uitgerekend de kunst hoeft zich daar niets aan gelegen te laten liggen.

Schopenhauer draait dit om, zonder de waarheid geweld aan te doen, en drukt het goede daarmee tot metafysische hoogten. Als het goede onwerkelijk lijkt, ligt dat niet aan het goede, maar aan de waarheid. De literatuur die deze weg inslaat, blijft bestaan en is meer gewenst dan ooit. Dié literatuur, (die kunst) blijft bestaan als moreel project. Daarover zou de schrijver Coetzee eens moeten nadenken, dan zou de mens Coetzee zich wellicht eens kunnen vergeven, want hij toonde de onverschilligheid van het kwaad en dat is een verdienste. Zijn artistieke project hoeft niet als mislukt gezien te worden zelfs als je het afwijst. Maar daarom is Coetzee nog niet mislukt. Hij deed wat hij kon. Dat is genoeg.

Leonhard de Paepe

 

(John) Geloof je dat echt? Zei hij. ‘Dat boeken ons leven betekenis geven?’

(Julia) ‘Ja, zei ik.’ Een boek moet een bijl zijn om de bevroren zee in ons binnenste open te hakken. Wat zou het anders moeten zijn?

(John) ‘Een afwijzend gebaar aan het adres van de tijd. Een gooi naar onsterfelijkheid.’

Ach: niemand is onsterfelijk. Boeken zijn niet onsterfelijk. De hele aardbol waarop wij staan zal in de zon gezogen worden en verbranden tot een sintel. Waarna het universum zelf zal imploderen en verdwijnen een zwart gat. Niets zal overleven, ik niet, jij niet en zeker geen voor een klein publiek bestemde boeken over denkbeeldige pioniers in het achttiende eeuwse Zuid-Afrika (onderwerp van Schemerlanden Coetzee’s debuut. (p72)

(John) ‘Ik bedoelde niet onsterfelijkheid in de zin van buiten de tijd bestaan. Ik bedoel je eigen fysieke verscheiden overleven.’

(Julia) ‘Wil je dat mensen je na je dood blijven leven?’

(John) ‘Het geeft me enige troost om me aan dat vooruitzicht vast te klampen.’

Een recensie van een recensie

In 1845 publiceerde Thomasine Gyllembourg anoniem de roman Twee tijdperken. Het boek vertelt een romantische geschiedenis gesitueerd in het huiselijke leven van een burgerfamilie in Kopenhagen gedurende twee generaties (en twee tijdperken). Het verhaal beschrijft daarmee het verschil tussen twee contrasterende levensbeschouwingen. De geest van de Franse Revolutie kenmerkt de eerste generatie, de geest van de restauratie de tweede. Precies dit punt intrigeerde de Deense filosoof Søren Kierkegaard (1813 – 1855). Hij schreef er een recensie over. Door leonhard de paepe voor Atheneum.

 

Een literaire recensie bevat zowel de roman als de recensie. Kierkegaard bewondert de auteur op een heel moderne manier, namelijk omdat de schrijver géén moralist is. Hij noemt de roman ‘overtuigend’ omdat ze ‘werkelijk’ is, en werkelijk omdat de auteur geen partij kiest voor het of het andere tijdperk, maar ‘laat zien’ hoe de liefde vorm krijgt in verschillende tijden met verschillende zeden. Die prestatie acht hij hoger dan zijn eigen analyse. De denker stopt keurig op de grens van analyse (die kan zeggen) en kunst (die alleen kan laten zien).

Dat kenmerkt Kierkegaard, die misschien de gevoeligste ziel uit de westerse intellectuele geschiedenis is. Uit al zijn werken spreekt een existentiële bezorgdheid om liefdeloos of zonder oprechtheid te leven. Gyllembourg, een voor die tijd vrijgevochten vrouw, schetst de zielenroerselen van de jonge verliefde meisjes uit de gegoede klasse haarscherp en overtuigend dat zelfs de hedendaagse lezer prompt gaat geloven in het eeuwigheidsperspectief in de liefde (eeuwige trouw). Vandaar dat de roman Kierkegaard zo aansprak. In Wat de liefde doet, over de Christelijke liefde, wijdt hij vele hoofdstukken aan deze duizelingwekkende eeuwigheidshorizon in de liefde.

Vanuit die ernstige levenshouding kan Kierkegaard ook buitengewoon fel uit de hoek komen. Zo bekritiseert hij het personage Valler als die zijn Marianne wil verlaten om financiële redenen. Dat kan voor Kierkegaard geen reden zijn om de liefde op te geven. Het kan en mag alleen als er werkelijk een positieve beslissing voor iets anders gemaakt wordt. Alleen zo’n keuze zou Valler iets fundamenteels doen leren over zichzelf. Kierkegaard had ongetwijfeld zijn eigen ervaring in gedachten. Hij verbrak de verloving met Regine Olsen omdat hij twijfelde of hij de verantwoordelijkheid van de liefde kon dragen. Hij wist dat hij de filosofie nooit vaarwel zou zeggen en koos voor een eenzaam bestaan als denker.Kierkegaard

Kierkegaard behoort tot de categorie ‘vergeten’ denkers; denkers die nauwelijks serieus bestudeerd worden in de academische wereld. Toch lijkt het wel een wet dat iedere keer als een grote filosoof iets volstrekt nieuws zegt, er een ‘vergeten’ filosoof blijkt te bestaan die een eeuw eerder hetzelfde heeft gezegd. Deze perifere denkers blijven in hun analyse altijd gevoeligheid houden voor dat wat wezenlijk ontsnapt aan de analyse: expressie, sensitiviteit, gekte en liefde. De hernieuwde aandacht voor Kierkegaard lijkt ook wel een trend. Niet alleen is er de nieuwe reeks vertalingen bij Damon, maar ook is er in de laatste Nexus uitgebreid aandacht voor de Deen in een prachtig essay van Walter Methlagl. Hij noemt juist Een literaire recensie als een sleutelwerk waarin Kierkegaard meer gelijk heeft dan hij ooit heeft kunnen vermoeden.

Dat is niets te veel gezegd. Het werk dat als recensie begint komt al snel op stoom en groeit uit tot een volledige maatschappijkritiek. In het werk komt een indrukwekkende hoeveelheid concepten in rap tempo voorbij die we later elders in de filosofie zien opduiken. De meest in het oog springende is die van ‘het geklets’ dat later bij niemand minder dan Martin Heidegger terugkomt als ‘das Gerede’, maar ook zijn concept ‘publiek’ (later ‘de massa’ bij Arendt, Marcuse, Nergi en Hardt), dat altijd op zoek is naar afleiding en sensatie, dat altijd spreekt maar nooit wat zegt. Het publiek dat alles en iedereen ‘nivelleert’ tot haar eigen niveau, doordat ze wezenlijk ‘afgunstig’ is (later ressentiment bij Scheler en Zizek).

Met deze concepten, die vele decennia zijn blijven liggen en nu overal te horen zijn, schetst  Kierkegaard de moderne tijd, zijn tijd. Die contrasteert hij scherp met de tijd van de revolutie die was begeesterd door een idee en daarom wezenlijk intoleranter was en als gevolg daarvan ook meer fatsoen behoefde en voortbracht. Onze tijd, meent Kierkegaard, kent geen begeestering. Alle fundamentele tegenstellingen zijn opgeheven. Dat is het ‘grondprincipe van onze verstandige passieloze tijd.’ Dat heeft ‘de schrijver van deze roman met zijn verfijnde kunst en edele evenwichtigheid zo onpartijdig meegegeven’. Maar Kierkegaard kiest wel!

Hij veroordeelt het kletsen en flirten van onze tijd. Wat is dat kletsen dan precies? In de typische rake stijl van Kierkegaard: ‘Het is de opheffing van de gepassioneerde tegenstelling tussen spreken en zwijgen. Alleen wie wezenlijk kan zwijgen, kan wezenlijk spreken en wie wezenlijk kan spreken, kan wezenlijk handelen. Zwijgzaamheid is innerlijkheid. Geklets loopt vooruit op het wezenlijke spreken en als reflectie zich zo uit, wordt de handeling verzwakt door onder de marktprijs te verkopen.’

Een literaire recensie is lang vergeten. 85 jaar na publicatie (in 1931) herontdekte Karl Jaspers het. Hij noemde het werk ‘de eerste [maatschappijkritiek] die ook toepasbaar is op het tijdperk waarin we nu leven en die zich laat lezen alsof zij pas gisteren geschreven was’. Inmiddels weer een mensenleven later blijkt daar geen woord aan gelogen.