Theologie van de tijd

Oorspronkelijk was de bedoeling dat de inval in Irak zou geschieden onder het motto: ‘Infinite Justice’. Het motto werd een paar keer door George Bush in de media gebracht en er kwam een storm aan protest op gang. De slogan werd vervangen door ‘enduring freedom’.

Toch is infinite justice in zekere zin juist, redeneert de Franse filosoof Jacques Ranciere. Om dat te begrijpen moeten we inzien dat er zich vanaf de instorting van de Sovjet-Unie een fundamentele verandering heeft voorgedaan in de politiek die enorme gevolgen heeft gehad voor het politieke denken én de kunst. In The ethical turn in of aesthetics and politics, reconstrueert hij deze wending.

De verandering, noemt Ranciere een: ethische wending. Het gaat NIET om een hernieuwde aandacht voor de morele consequenties in politieke oordelen, maar om een volledig ander soort politiek denken. De opleving van ethiek duidt op het ontstaat van een sfeer van indistinctie waarin politieke en artistieke praktijk niet langer onderscheiden kunnen worden. Op het vlak van de ‘dagelijkse’ politiek is dit uiteraard geen betekenisvolle uitspraak, maar voor Ranciere is de verwevenheid tussen het denkbare (politieke) en het sensibele (artistieke) de slinger waartussen de sociale band in gemeenschappen wordt gesmeed. Op een meer alledaags politiek vlak heeft de ethische wending ook gevolgen; het onderscheid tussen feit (van de wereld) en recht (de wet) wordt steeds meer ononderscheiden. De gevolgen daarvan zijn alom, en ik zal proberen ze hier uit te leggen.

Ethos en Ethiek

Allereerst stelt Ranciere vast dat het Griekse ‘Ethos’ naar twee verschillende zaken verwijst. (en dit is van belang omdat ons westerse politieke denken teruggaat op Griekse noties als democratie en dus dooordrongen is van de Griekse filosofische traditie). Ten eerste slaat Ethos op ‘wonen’ en ten tweede op ‘manieren van zijn’. Ethiek, is het soort denken waarin identiteit geconstitueerd wordt tussen ‘een omgeving’, ‘een manier van zijn’ en het heeft tevens betrekking op ‘een principe van handelen’. Het gaat in de ethiek dus om de principes van waaruit je handelt, die uiteindelijk voortvloeien uit een manier van zijn (en deze levensstijl ook constitueren) en ontstaan in een gemeenschap (omgeving). De ethiek is dus, anders dan een onderzoek naar waarheid, een sociale aangelegenheid en als zodanig is zij vanaf het allereerste begin politiek!

De ethische wending, kenmerkt zich hierdoor dat het oordelen (ethiek) dat evalueert en beslist onderworpen is aan de wet. Dit – zo zouden we kunnen denken – is in het kort de realiteit achter de hedendaagse klacht dat mensen hun ‘verantwoordelijkheid’ niet nemen. Verantwoordelijkheid nemen veronderstelt dat men een ethische overweging maakt over de feiten waarmee men geconfronteerd wordt en zelfstandig oordeelt. Maar dit nu is precies onmogelijk omdat de wet gelijk wordt gesteld met feit. (men denke onmiddellijk aan de politie-agent die je midden in de nacht op een verlaten landweg bekeurd omdat je door rood reed. Hij denkt niet na over de feitelijke werkelijkheid (is er gevaar voor de orde) maar onder verwijzing naar de wet meent dat hij het moreel juiste doet). De wet is gelijkgesteld aan de normale orde der dingen. Het gevolg hiervan, dus de groeiende vaagheid tussen feit en recht/wet, is de opening van een ruimte voor een ‘onbegrensd kwaad’. Als we de realiteit van de ethische wending 100% serieus nemen en de consequentie accepteren dat als de feitelijke wereld werkelijk volkomen samenvalt met en onder heerschappij staat van de wet/het recht, dan is inderdaad iedere deviantie onmiddellijk een onverklaarbaar en onbegrensd (want zij komt van een ‘buiten’ dat je niet meer kunt denken) kwaad. Daarom, alleen daarom, is de slogan: operation infinite justice volgens Ranciere precies goed gekozen.

Dogville

Ranciere noemt twee films, Dogville en Mystic River uit 2002, die deze paradox in de ethische wending tonen, waarvan ik alleen de eerste bespreek. Dogville van Lars van Trier zit Ranciere als een ‘update’ van Bertold Brechts ‘Die heilige Johanna der Schlachthöfer’ waarin Brecht de christelijke moraal wil aanbrengen in een kapitalistische jungle. Daarin blijkt dat deze moraal niet effectief is in gevecht tegen het geweld van de economische orde. Daarom moest deze moraal getransformeerd worden in een militante moraliteit die zich noodzakelijkerwijs uitdrukt als een gevecht tegen onderdrukking. Het ‘Recht’ van de onderdrukten tegen de onderdrukkers en hun instrument: politieagenten. Dit recht KAN zich niet verankeren binnen de economische orde die de orde is van de onderdrukkers (en daarom is ze ‘militant’), omdat de onderdrukten daarbinnen niet als onderdrukten kunnen worden gezien.

Het verdelen van ‘geweld’, ‘moraal’ en ‘recht’ heeft een naam, zegt Ranciere: politiek! Politiek is daarom ook niet, zoals wel wordt gedacht, het tegendeel van moraal. Het is de distributie van deze zaken door middel van een wet die wordt opgelegd en afgedwongen en daarom altijd geweld inhoudt. Brecht schreef zijn stuk om te laten zien dat er geen bemiddeling mogelijk is tussen twee soorten recht (christelijke moraal en recht van de onderdrukten) en twee soorten geweld (economische orde en politieagenten).

Het geweld dat Grace uit Dogville tegenkomt is van een andere orde, en dit tekent het verschil tussen de situatie voor en na de ethische wending. Grace is niet de ‘goede ziel’ maar een gewone vreemdeling in een gemeenschap die haar onderwerpt. Dit verhaal van lijden ontstaat niet vanuit een dominant systeem dat afgeschaft kan worden, maar een kwaad dat oorzaak en gevolg van haar eigen reproductie is. Daarom is de enige passende straf de totale uitroeiing van het Dogville. De Brechtiaanse les: geweld helpt waar geweld regeert. ‘oneindige (absolute) rechtvaardigheid is de enige passende rechtvaardigheid in het gevecht tegen de as van het kwaad.’

Zie het gesprek tussen Grace en haar vader, of de ‘spoiler’ van de conclusie van dat gesprek.

Dogville werd bij haar presentatie in Cannes berispt om haar gebrek aan humanisme. De filmwereld heeft Brandan Behaniaanse mediareflectiviteit immers al zo lang geleden ondergaan dat het opmerkelijk is na alle filmgeweld uitgerekend deze film (die de morele aporie tenminste nog laat voelen) om haar inhumaniteit wordt veroordeeld.

Trauma en genezing

Het punt is, dat Ranciere in deze film (en Mystic River) een bepaalde rationaliteit achterhaald die nieuw is en analoog loopt aan de ethische wending in de politiek. Waar grote regisseurs als Hitchcock of Lang een trauma tonen dat tot een succesvolle genezing gebracht wordt door kennis. Het ‘geheim’ (de rationaliteit achter het trauma) wordt opgehelderd en door kennis tenietgedaan waardoor een nieuwe morele neutraliteit ontstaat. In Dogville leidt kennis van het trauma tot geweld (een nieuw trauma) en in Mystic River leidt de oplossing van het trauma tot kennis die een groter trauma ontbloot en daarom als geheim blijft voortbestaan. Er is dus geen catharsis, we zijn in een tragisch universum beland. Ranciere staat erbij stil dat in het werk van de psychoanalyticus Lacan niet de Freudiaanse figuur van Oedipus, maar die van Antigone naar voren wordt gebracht. Antigone is volgens Lacan niet de heldin van de mensenrechten (oneindige rechtvaardigheid), maar een terrorist, een getuige van het geheime trauma dat onder de sociale orde ligt. Terreur is de politieke naam van het trauma, en het slagwoord van onze tijd.

Terreur

Terreur is niet alleen het woord voor de schok van de aanslagen, maar ook de angst dat het nog eens gebeurd. Spreken over War on Terror is de connectie leggen tussen aanslagen en de angst die ieder van ons in een kettingreactie kan opnemen. Oorlog tegen terreur en oneindige rechtvaardigheid vervallen samen in een nieuwe indistinctie, veroorzaakt door een preventieve rechtvaardigheid die elke ‘waarschijnlijke’ dreiging van de sociale band aanvalt. Zij valt dus niet een feitelijke stand van zaken aan maar een denkbare toestand (ziedaar de versmelting van feit en recht). Deze logica van rechtvaardigheid stopt wanneer terreur stopt, maar die stopt per definitie niet, omdat iedere levensvorm (een mens of een gemeenschap) het trauma van een geboorte moet meemaken en dus het trauma in zijn bestaan verdisconteert. Maar de rechtvaardigheid die terreur bestrijd kan geen wet boven zich accepteren omdat ze de bestaansgrond van de gemeenschap beschermd waarna – uiteraard – alles geoorloofd is en kritiek als zodanig een staatsondermijnende act is.

Consensus

Terug naar moraliteit. Ooit – zo stelt Ranciere – impliceerde moraliteit een scheiding tussen feit en recht; tussen wat is en wat behoord. Die spanning was de productieve grondvoorwaarde voor moraliteit [en de reden dat ‘verantwoordelijkheid nemen’, impliceert je NIET aan de regels te houden op morele gronden]. De onderdrukking van de scheiding tussen feit en recht heet: consensus. Consensus is niet globale overeenstemming tussen regering en oppositie over nationale belangen, of een nieuwe stijl van beleid die prioriteit geeft aan discussie en  onderhandeling in conflicten. Concensus is een wijze van symbolische structurering van de gemeenschap die de politieke kern van de gemeenschap verwijderd, namelijk: DISSENSUS. Een politieke gemeenschap is wezenlijk verdeeld. Niet alleen ten opzichte van verschillende groepen, maar ten opzicht van zichzelf. Met andere woorden, een politieke gemeenschap is een gemeenschap waarin verschillende groepen in gesprek gaan om daarna wetten uit te vaardigen om het sociale verkeer te reguleren. Maar daarmee is de kous niet af, want de dissensus blijft bestaan en er kunnen andere groepen opstaan die tot de gemeenschap behoren, maar zich niet in de wetten herkennen of zich er zelfs bedreigd door voelen. Reden waarom Ranciere stelt dat een politiek conflict ‘twee volken’ veronderstelt (in één gemeenschap). De consensus reduceert deze anderen ‘in’ de gemeenschap tot één groep, waardoor zij slechts gedacht kunnen worden als verdedigers van één belang: het verdedigen van de bestaande macht.

Ethische gemeenschap en de uitgeslotene

De consensus transformeert de politieke gemeenschap (dissensus) dus tot een ethische gemeenschap waarin ieder ‘zijn plaats’ heeft en ‘zijn werk doet’ [Hierbij zij aangetekend dat de omgang met werkeloosheid – het bijproduct van innovatie – binnen de ethische gemeenschap dus niet wordt gezien als een intern probleem. Ze wordt gezien als een moreel falen van de werkeloze en de werkeloze wordt dan ook behandeld als dissident en dit verdiend ].

In een politieke gemeenschap is de uitgeslotene een actor die een recht draagt dat nog niet herkent is, of hij is getuige geweest van een onrecht in de wet. In de ethische gemeenschap kan er geen status voor hem zijn omdat iedereen (in het model van consensus) reeds ingesloten is. Hij valt  ‘per ongeluk’ buiten de gelijkheid zoals de zieken, de gekken en de vergetenen. Omdat er geen status voor hem is, is hij meteen de Radicale Ander (lees terrorist), die de gemeenschap bedreigd. Hij heeft geen deel aan de identiteit die ons bindt. De depolitieke nationale gemeenschap lijkt dan net op de kleine gemeenschap van Dogville, door het bedrog van de sociale dienst die tegelijkertijd een absolute afwijzing van de ander is.

Mensenrechten, humanitaire interventie en het verdwijnen van internationaal recht

Met deze nieuwe figuur van nationale ethische gemeenschap ontstaat dan een internationaal landschap waarin de ethiek zich als liefdadigheid en oneindige rechtvaardigheid tegen de ‘As van het Kwaad’ keert. Daarmee wordt het des te moeilijker om mogelijke politieke dissensus te ontwaren. De noodzaak tot internationaal recht dreigt hiermee ook te verdwijnen. De meest zichtbare vorm hiervan is doelgericht moord en het interventie recht. De verdwijning van recht, gebeurde via een omweg, waarbij de constitutie van één recht-boven-alle-andere een rol speelde: het recht van het slachtoffer. Dit recht duidt op op een kanteling van het meta-juridische fundament: Mensenrechten!

Mensenrechten waren in de jaren 80 het wapen in handen van Oost-Europese dissidente groepen. Toen in de jaren 90 de Sovjet-Unie (en dus een systeem dat bestreden kan worden) instortte kwam er ruimte vrij om mensenrechten te gaan gebruiken als basis voor de internationale orde. Mensenrechten werden de rechten van slachtoffers (van ethnische en religieuze conflicten) die hun eigen rechten niet konden verdedigen. Dat kon twee reacties oproepen. Of: mensenrechten staan dus nergens voor. Of: het zijn de absolute rechten van de rechtelozen. Deze rechten kunnen uiteraard niet door de slachtoffers worden uitgeoefend maar alleen door een andere partij. Deze transfer markeert de legitimatie van de humanitaire interventie. Deze interventie tegen de onderdrukker werd een ‘Oneindige Rechtvaardigheid’ tegen de even onzichtbare als omnipresente vijand van de verdedigers van de zwakken.

Het absolute recht stond nu aan de kant van de humanitaire interventie en werd gelijkgesteld aan de directe eis om de veiligheid van de gemeenschap te verdedigen. Aldus werd de humanitaire oorlog een eindeloze oorlog tegen geweld, en zelfs een beschavingsoffensief.

Het gaat dan niet meer om een middel tot een doel (wat net als feit en recht in een staat van vervaging komt), maar een permanente toestand. Tegenover ‘Het Kwaad’ staat dan een ‘minder kwaad’ (het argument vóór marteling), een ‘bewaren wat is’ (de conservatieve opleving in alle westerse landen) of ‘een wachten op verlossing uit de radicalisering van de catastrofe’. (De denkfiguur van ‘End-Game’ in het economische discours). Politiek komen we in een permanente uitzonderingssituatie (state of exception), die wetten uitvaardigt bij decreet (en niet via de democratische instituties) en politiek en recht feitelijk onwerkbaar maakt, maar de hoop op messiaanse verlossing open houdt.

Kunst

Het monsterachtige in dit discours van humanitaire interventie waarin een Absoluut Goed omslaat in de bron van oorlog waartegen iedere kritiek een gestalte van het Absolute Kwaad wordt is vanaf de jaren 80 (in aanloop naar de ondergang van de Sovjet-Unie) Ook in de kunst zichtbaar. In beeldende kunst en muziek is een bepaalde verharding die duurt tot eind jaren 90 op het toppunt van economische voorspoed en (niet te vergeten) commercialisering van de media. Zanger Rio Reiser uit Berlijn probeert het eerst pascifistisch met de bekende leus: keine macht für niemand, om later te zingen: macht kaputt was euch kaputt macht.  En deze gerichte en politiek geladen dissidentie werd het lijflied van krakers in Berlijn en er werd keihard tegen opgetreden. Na Reiser verhardde deze beweging nog verder met bands als Dritte Wahl, The Wohlstandkinder, Fluchtweg en jawel: Terrorgruppe. Nadat deze laatste politieke beweging ter ziele ging door repressie en gebrek aan representatie in de commerciele (en dus niet-democratische) media verloor de onderliggende frustratie iedere richting en dat viel min of meer samen met een verschuiving naar het voetbalhooliganisme, dat geen politieke representatie meer heeft en daarom ook niet meer aangesproken kan worden. Het is een articulatie van ongerichte woede in een los-vaste loyaliteit aan een niet-politieke entiteit (namelijk clubvoetbal). Nu zelfs voetbalgeweld min of meer is onderdrukt vindt het haar articulatie in streetraces, uitgaansgeweld en ‘achter de voordeur’.

Ook  in commercieel entertainment zoals popmuziek, cabaret en musicals is iedere politieke lading verdwenen. Popmuziek is vrijwel altijd een radicale affirmatie van de roes. Musicals bewaren doorgaans de happy end, hoewel de setting vrijwel altijd historisch of mythisch is en het cabaret heeft zich overgegeven aan absurdisme of agressieve stand-up oneliners zonder enige (politieke) context. Aldus affirmeren ook zij de consensus.

Politiek en kunst

Terug naar de humanitaire interventies. Wat er mis gaat volgens de Franse filosoof Lyotard is het onvermogen in te zien dat het inhumane (of ‘onmenselijke’ zo u wilt) ‘buiten’ ‘ons’ gezocht wordt, maar moet worden gelokaliseerd in de mens. De wil om het onbeheersbare te beheersen is volgens Lyotard is waar de rechten van de Ander worden geschonden. Die wil werd gekoesterd in de Verlichting en is duidelijk zichtbaar in de revolutie. Die wil zat achter de genocide van Nazi-Duitsland en is terug te vinden in softe vorm, in maatschappijen van gegeneraliseerde consumptie en transparantie.

Er zijn twee duidelijke eigenschappen van de ethische wending volgens Ranciere.

1)     De eerste is een omdraaiing van tijd. Tijd gericht op een doel dat bereikt moet worden (vooruitgang, emancipatie of de ander) wordt vervangen door er een gericht op de catastrofe achter ons.

2)     Er is een nivellering van de vormen van die catastrofe. (alles is catastrofe)

In de kunst bestaan eveneen twee reacties op politieke ontwikkelingen. Kunst gericht op het sublieme en kunst gericht op het sociale (relational art). De sublieme kunst radicaliseert en werkt als een soort getuigenis van de catastrofe (het radicaal onrepresenteerbare). Met name in games wordt deze weg bijna standaard bewandeld. Bij Relational art noemt Ranciere Christian Boltanski’s Les Abonnés de téléphone, waarin hij simpelweg een verzameling telefoonboeken tentoonstelde. Dat werk gaat over anonimiteit. Het gaat er niet – zoals voorheen – om de onderdrukten of de exploitatie te tonen en er aandacht voor de vragen, maar haalt de vele mogelijkheden voor participatie naar voren en gemeenschap reconstrueert. Dit, zegt Ranciere: is consensus… het restoreren van verloren betekenis, van de scheur in de sociale band. Je ziet dit vooral in relational art, wier doel is nieuwe vormen van sociale verbanden te construeren.

De ethische wending in de esthetica kan NIET begrepen worden als een kunst die postmodern wordt. Het emancipatiore moment in de avant-garde, de wens tot een andere (sensorische) wereld stierf met de Sovjet-unie, maar leeft door in utopieën architecten over nieuwe steden, en nieuw urban design, én relational art. Niet langer beloofd de kunst emancipatie, maar integendeel een herinnering aan een nooit aflatende catastrofe (en dus wederom de omkering van de tijd). Lyotards esthetiek van het sublieme is het inzicht dat iedere emancipatie alleen mogelijk in de vorm van een oneindige misdaad en het antwoord van de kunst, het verzet is, een eindeloos treuren. Dit treuren vond haar morele vacuüm uiteraard in Auschwitz, maar is ondertussen getransformeerd als de herinnering aan een eeuwigdurende catastrofe, waarvan slechts een God ons redden kan (Heidegger). Zizek en Badiou kozen deze laatste weg. Beide roepen niet langer op tot verzet. Zizek roept op tot lezen! En Badiou roept: durf een idee te hebben.

De ethische wending is géén historische noodzakelijkheid (er zijn uitzonderingen). Het is ook niet simpelweg een incorporatie van de verschillende vormen van dissensus tussen politiek en kunst, in een consensus-orde. De ontwikkeling vanaf het einde van de avant-garde tot nu heeft een aantal verschuivingen meegebracht die terug te sporen zijn in verschillende theorieën:

– Adorno wilde de kunst verschonen van compromis met commercie en levensesthetica en dat loopt uit op een ethische getuige van een onrepresenteerbare catastrofe.

– Arendt’s politieke purisme dat vrijheid van sociale noodzakelijkheid scheidde, wordt een legitimering van de noodzakelijkheid van de consensuele orde.

– Kantiaanse autonomie van de morele wet, wordt een ethische onderwerping aan de wet van de Ander.

– Mensenrechten worden het privilege van de wreker.

Maar het centrale element van de wending, is zonder twijfel het modernistische idee van tijd dat na de wending blijft voortbestaan in wat Ranciere noemt: een theologie van tijd. Het modernisme begreep zichzelf als een tijd voorbestemd om een glorieuze interne noodzakelijkheid uit te voeren, die – zo kunnen we nu vaststellen – eveneens desastreus is.

Als we ons uit deze ethische wending willen terugdraaien, veronderstelt dat we de fantasie van puurheid (in politieke én artistieke identiteit) opgeven. Dat zou het inzicht zijn dat iedere (politieke of artistieke) identiteit te krap is om haar referent te karakteriseren. Dan worden beide weer ambigue, preciar en betwisbaar en dan moeten we ze weer scheiden van een theologie van tijd, en dus van iedere gedachte aan een trauma uit een verleden of een verlossing die nog moet komen.  Alleen zo is het mogelijk om terug te keren naar dissensus. Daarmee zal NIET de kantiaanse eeuwige vrede terugkeren, maar we houden er wél de Totale Catastrofe mee buiten.